En zij kwamen in Bethlehem, aan het begin van de gersteoogst. (Ruth 1:22c)
Het was druk in Bethlehem, de oogsttijd was aangebroken. Na jaren van hongersnood had de Heere, Zijn volk, verblijd door hen een goede oogst te geven.
De gersteoogst was een tijd van hoop. Gerst was het eerste graan dat in het voorjaar rijpte.
In het midden van al die bedrijvigheid liepen twee vrouwen Bethlehem binnen. Aan hun kleding was te zien dat zij beiden weduwe waren.
De oudere vrouw liep gebogen, getekend door verdriet. De jongere vrouw was duidelijk geen Israelitische.
Al snel werden ze opgemerkt door de vrouwen in de stad. En er werd druk over hen gepraat.
Is dat Naomi, de liefelijke, die met haar man en zonen naar Moab was vertrokken? En wie is er bij haar? De hele stad raakte in rep en roer over hen.
Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. Ik ging vol weg, maar de HEERE heeft mij leeg laten terugkeren.
In haar bitterheid denkt Naomi dat de HEERE haar heeft gestraft door haar man en zonen van haar weg te nemen. Toch zal zij merken dat HEERE voor haar zorgt in haar verdrietige omstandigheden.
Herken je hier iets van in jouw eigen leven?

