Hij zei tegen Hem: “Ja Heere, U weet dat ik U liefheb.” (Johannes 21:15b)
Daar, op het strand bij de Zee van Tiberias, gaat Jezus het hart van Petrus peilen. Hij vraagt Petrus naar zijn liefde voor Hem.
Door zijn zonden was Petrus ver van Jezus afgedwaald. Nu, op dit moment, gaat Jezus hem terug leiden.
“Simon, zoon van Jona, hebt u Mij meer lief dan dezen?” Vol overtuiging zegt hij: “Ja, Heere, U weet dat ik U liefheb.”
Jezus zegt tegen hem: “Weid mijn lammeren.”
Dan klinkt de vraag voor de tweede keer: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?” Opnieuw antwoordt Petrus: “Ja, Heere, U weet dat ik u liefheb.”
“Hoed Mijn schapen”; antwoordt Jezus.
Dan vraagt Jezus voor de derde keer: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?”
Petrus wordt bedroefd, omdat Jezus deze vraag voor de derde keer aan hem stelt. Hij zegt: “Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb.”
Jezus zegt tegen hem: “Weid Mijn schapen.”
Toen Petrus jaren eerder de netten achter zich liet om Jezus te volgen, zei Hij tegen hem: “Volg Mij en Ik zal u een visser van mensen maken.” Nu krijgt Petrus de opdracht om de lammeren en de schapen van de kudde van Jezus te leiden in de grazige weiden van het evangelie.

