‘Het geslachtsregister van Jezus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham.’ (Mattheüs 1:1)
Jezus was naar Zijn aardse geboorte een nakomeling van enkele belangrijke en krachtige gelovigen in Israël. Van David, de koning. En van Abraham, de stamvader van Israël. Abraham was de man uit wie het volk Israël geboren werd. God beloofde aan Abraham dat er uit zijn nageslacht een Redder geboren zou worden die voor alle mensen een zegen zou worden. (Genesis 12:1-3)
De Joden in Mattheüs’ tijd kenden de beloften van God over de Redder die komen zou, en zij zagen uit naar de vervulling daarvan. Mattheüs zelf was als Joodse jongen ook opgegroeid met de woorden van God. Met Jezus’ geboorte brak een nieuwe tijd aan voor Israël. Door Jezus had Mattheüs’ eigen leven ook een nieuw begin gekregen (Matthëus 9:9).
Vanaf het allereerste begin van dit nieuwe leven maakte God het duidelijk: deze Zoon is meer dan een gewoon mens. Hij komt vervullen wat Ik beloofd hebt. Daarom moet Mattheüs voor deze Zoon een nieuwe toevoeging geven in zijn geslachtregister: “Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie geboren is Jezus, Die Christus genoemd wordt” (Mattheüs 1:16). Niet Jozef, maar God zelf verwekte de beloofde Zoon.
Dank U Jezus, dat we in Uw komst naar de wereld mogen zien dat al Gods beloften waargemaakt worden. Dank U voor Uw grote liefde voor ons.

