Het korte antwoord op deze vraag is: Nee! Maar er is wel wat meer over te zeggen, dus laten we wat verzen bekijken die soms gebruikt worden voor die claim.
“Mijn Vader is meer dan Ik.” (Johannes 14:28)
Jezus zegt dit wanneer Hij de discipelen vertelt dat Hij naar de Vader zal gaan. De Vader is Degene die Jezus heeft gezonden om Zijn missie te vervullen. Op aarde was Jezus onderworpen aan de wil van Zijn Vader. Zie ook Johannes 4:34 waar staat: “Jezus zei tegen hen, ‘Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hen Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng.’” Dit betekent niet dat Jezus geen God is, maar meer dat Jezus de autoriteit van de Vader erkent als een ‘zendingsopdracht’.
Een soortgelijke passage is: “Ik kan van Mijzelf niets doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik en Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft.” (Johannes 5:30) Jezus voerde de wil van de Vader uit hier op aarde. Dit betekent niet dat Hij geen God was, maar juist dat Hij en de Vader één zijn. Lees ook Johannes 5:18: “Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte.” De Joden hoorden in Jezus’ woorden de claim dat Hij God was, en dat maakte hen furieus.
“Mijn Vader is meer dan allen.” (Johannes 10:29)
Deze woorden werden door Jezus gezegd toen Hij sprak over de mensen die van Hem zijn, en die Hij vergeleek met schapen. In het voorafgaande vers zegt Jezus: “Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.” Als Jezus in staat is om eeuwig leven te geven, dan is Hij God. In het volgende vers zegt Hij: “Niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken.” Jezus’ hand en de Vaderhand zijn blijkbaar één en dezelfde. De logische conclusie is dat Jezus en de Vader één zijn, en dat is precies wat Jezus in het volgende vers: “Ik en de Vader zijn één.” Eén in godheid en wezen. Jezus’ woorden werden door de Joden opgevat als claim dat Hij God was, waardoor ze stenen pakten om Hem te stenigen. Wat Hij zei was blasfemie in hun oren!
“…Ik drijf door de Geest van God de demonen uit…” (Mattheüs 12:28)
In deze passage drijft Jezus demonen uit door de Geest van God. Dit vers toont aan dat Hij vervuld is van de Heilige Geest en ontkent helemaal niet Jezus’ godzijn. De Farizeeën beschuldigden Jezus, dat Hij de demonen uitdreef door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen. Jezus’ antwoord is dat Hij het deed door de kracht van de Geest.
Conclusie: Jezus claimde bij vele gelegenheden, dat Hij en de Vader één zijn. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de religieuze leiders een plan maakten om van Hem af te komen.

