In de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen we hoe God alles schiep en zag dat Zijn schepping heel goed was, met inbegrip van het eerste mensenpaar, Adam en Eva. Maar deze eerste mensen waren God ongehoorzaam en hun zonde veroorzaakte een ernstige breuk in hun relatie met de Heer. Bovendien zorgde hun ongehoorzaamheid voor lijden en dood op aarde. Maar daar houdt de geschiedenis niet op. God beloofde om vijandschap te brengen tussen de mensheid en Satan, die hen tot zonde had verleid. God zei dat een Nakomeling van Adam en Eva de kop van Satan zou vermorzelen.

Beloften aangaande de Messias

Verderop in de Bijbel openbaart God meer details over de komst van die Nakomeling. Hij zou komen uit het geslacht van Abraham en zou heelheid en zegen brengen voor de wereld. Hij wordt beschreven als een koning van vrede, saamhorigheid en overvloed. Hij zal voortkomen uit de koninklijke lijn van David (zie bijv. Jeremia 33:15-17).

De geschiedenis van Israël kent een aantal helden, maar niemand bleek de beloofde Redder te zijn. Al deze mannen waren zelf zondig en konden het kwaad niet verslaan. Integendeel, zowel het volk als haar koningen bleken zo zondig dat God hen in ballingschap liet wegvoeren. Maar de profeten bleven wijzen op een Man die de Israëlieten zou redden uit hun benarde situatie, alles goed zou maken en een geestelijk herstel zou brengen. Enkele van deze profetieën lieten zien dat Hij geen gewoon mens zou zijn.

De profeet Jesaja, bijvoorbeeld, zei dat Hij zou sterven in plaats van de mensheid (Jesaja 53:5), maar in een ander hoofdstuk noemt hij Hem “Machtig God, Eeuwige Vader, Vredevorst”, wiens heerschappij nooit zal eindigen. Hij zegt ook dat de “de ogen van de blinden zullen worden opengedaan, de oren van de doven zullen worden geopend en wateren zullen zich een weg banen in de woestijn en beken in de wildernis” (Jesaja 35:5-6). De profeet Micha zegt dat Hij “een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af” (Micha 5:1). Het Oude Testament bevat ook vele profetieën over het staatkundig herstel van Israël, en over God die “Koning over heel de aarde” wordt (zie Zacharia 12:8-9; 14:9).

Hoop en verwachtingen

Het Oude Testament geeft dus veel namen, beloften en beschrijvingen van Iemand die komen zou om de dingen ten goede te veranderen. Maar het is niet altijd gemakkelijk om er een samenhangend geheel van te maken. Zullen al deze facetten in één persoon samen kunnen komen? En zullen al deze dingen op één tijdstip plaatsvinden? Het is niet eenvoudig om deze vragen te beantwoorden. Door de eeuwen heen ontwikkelde het volk Israël bepaalde verwachtingen over de komende Redder, die ze meestal de “Messias” noemden (een Hebreeuws woord, in het Grieks vertaald als “Christus”). Dit woord betekent “gezalfde”, en werd bijvoorbeeld gebruikt als aanduiding voor koningen die God had aangesteld en toegerust voor hun taak.

De Israëlieten koesterden de hoop dat de komst van de Messias een periode van sociale, politieke en geestelijke vernieuwing zou inluiden. Omdat ze onderdrukt werden door andere volken, was het idee van een Koning die hun politieke vrijheid zou herstellen natuurlijk extra aantrekkelijk. Volgens velen was dit aspect veel dringender nodig dan geestelijk herstel. En Jesaja’s beeld van de lijdende Knecht van de Heer, verbroken en afgewezen, was bepaald niet wat ze voor ogen hadden.

Jezus voldeed niet aan alle verwachtingen

Toen Jezus in het openbaar begon op te treden, werd Hij door Johannes de Doper aangekondigd. Deze profeet vertelde de mensen dat het Koninkrijk van God nabij was en dat ze zich moesten bekeren. Hij was de boodschapper die door Jesaja was voorzegd (zie Markus 1:2-4).
Maar zelfs Johannes de Doper was er niet zeker van of Jezus wel de Messias was. Toen hij door koning Herodes gevangen gezet werd, stuurde hij zijn leerlingen naar Jezus met de vraag: “Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander?” (Lucas 7:19). Johannes had de Messias aangekondigd als een rechter die Gods toorn ten uitvoer zou brengen (Mattheüs 3:10-12), maar Jezus deed dat helemaal niet.

Jezus’ leerlingen geloofden wel dat Hij de Messias was (zie Johannes 1:42 en Mattheüs 16:16). Maar ze begrepen niet volledig wat dat inhield. Ze hoopten dat Hij koning zou worden en de Romeinse bezetters zou verdrijven. Ze begrepen niet dat de Messias gekomen was om te lijden en te sterven in hun plaats. Ze waren geschokt toen dat gebeurde, hoewel Jezus het hun verschillende malen had voorzegd (zie Markus 8:31; 9:31; 10:34).

Lukas 24:21 en Handelingen 1:6 maken duidelijk dat ze na Jezus’ sterven nog steeds hoopten op een politiek herstel voor Israël. Jezus zei toen niet dat dit nooit zou gebeuren, maar het was niet aan Hem – en ook niet aan de discipelen – om politieke vrijheid teweeg te brengen. Hij is gekomen om mensen uit hun geestelijke slavernij te bevrijden, en dit is het Evangelie dat overal op aarde verkondigd moet worden (Handelingen 1:7-8).

Jezus is de Messias

Jezus wordt terecht “Christus” genoemd, want Hij is inderdaad de beloofde Messias. Hij noemt Zijn discipelen “onverstandig” om niet te geloven wat de profeten gesproken hadden over Hem, dat de Messias moest lijden en sterven om vervolgens opgewekt te worden uit de dood (Lukas 24:25-27). Als antwoord op de vraag van Johannes de Doper zegt Jezus: “Ga heen en bericht Johannes wat u gezien en gehoord hebt, namelijk dat blinden ziende worden, kreupelen kunnen lopen, melaatsen gereinigd worden, doven kunnen horen, doden opgewekt worden en aan armen het Evangelie verkondigd wordt” (Lukas 7:22).

Dit zijn duidelijke verwijzingen voor een Jood die de Schriften van het Oude Testament kende, want ze echoën Jesaja 35:5 en Jesaja 61:1. Jezus laat zien dat Hij wel degelijk de eeuwenoude profetieën van hoop en herstel vervult. Zijn wonderen waren niet “enkel” bedoeld om de betrokkenen te helpen, maar tekenen die bewezen dat Hij de Messias was.

Toen Jezus gevangen genomen was, vroeg de hogepriester Hem: “Ik bezweer U bij de levende God dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.” Jezus sprak tot hem, “U hebt het gezegd, maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel” (Mattheüs 26:63-64). Dit maakte een einde aan alle discussie: Jezus werd ter dood veroordeeld op de grond van godslastering. Zijn verklaring dat Hij de Christus was, leidde tot Zijn dood.

Niet alle profetieën zijn al vervuld

Jezus’ antwoord in Mattheüs 26:63-64 wijst erop dat Zijn werk nog niet voltooid is. Ja, wel Zijn werk als Verlosser (Johannes 19:30). Maar Hij zal terugkomen op de wolken om de mensheid te oordelen. Hij is al gekomen als een Heiland die Gods liefde laat zien en vergeving verkondigt. Maar aan het einde der tijden zal Hij als Rechter verschijnen om hen die Zijn aanbod van genade afwezen, te veroordelen (zie Openbaring 20:12; Mattheüs 25:31-32; Handelingen 10:42; 2 Timotheüs 4:1). Dan zal Hij een luisterrijke Koning zijn wiens heerschappij eeuwig zal duren (Hebreeën 1:8; Openbaring 11:17-18).

Veel profetieën aangaande de Messias zijn reeds vervuld in Jezus. Voor sommige profetieën is dat duidelijk zoals in Zacharia 9:9, “Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.” Dit kwam tot vervulling toen Jezus zegevierend Jeruzalem binnenreed, zoals opgetekend in Johannes 12:14-16. Andere profetieën werden op onverwachte manieren vervuld, bijvoorbeeld toen Jezus dat Hij inderdaad een Koning was, maar dat Zijn Koninkrijk geestelijk was en “niet van deze wereld” (Johannes 18:36). Een laatste groep profetieën, in het bijzonder over de Messias als Koning en Rechter, wacht nog op hun volledige vervulling bij de wederkomst van Jezus.

Veel Joden geloven niet dat Jezus de Messias is.

In Jezus’ dagen waren er veel Joden die in Hem niet hun Messias zagen. Daarin is weinig veranderd. Er zijn wel zogenoemde “Messiaanse christenen”, Joodse volgelingen van Jezus, maar ze zijn sterk in de minderheid. Maar de Bijbel geeft hoop dat “heel Israël behouden zal worden” (Romeinen 11:25-32). Dan zal een profetie van Zacharia in vervulling gaan: “Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten .Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben.Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind … Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid” (Zacharia 12:10; 13:1).

Met dank aan GospelImages voor de prachtige afbeelding.