Welke Bijbelse geboden zijn op mij van toepassing?

Christenen geloven dat God het voor het zeggen heeft in hun leven en dat Hij Zijn wil in de Bijbel bekend heeft gemaakt. Maar de Bijbel is geen wetboek waarin alles één op één toepasbaar is voor alle gelovigen van alle eeuwen. Hoe kunnen we dus onderscheid maken tussen Bijbelse geboden die enkel gelden voor een bepaalde tijd en cultuur, en tijdloze voorschriften die ook voor ons nog van kracht zijn?

Voorschriften voor bepaalde situaties en mensen

Het is duidelijk dat sommige geboden bedoeld waren voor speciale situaties, en niet als algemene voorschriften. Toen het volk Israël door de woestijn aan het zwerven was, zei God bijvoorbeeld tegen hun leider Mozes: “Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken” (Exodus 17:6). Dit was een buitengewone opdracht in een situatie waarin God het volk redde van de dood door hen van voedsel en water te voorzien. Een ander voorbeeld vinden we in Genesis 21:5-14, waar de Heer aan Abraham de opdracht gaf om zijn slavin en zoon weg te sturen omdat ze een bedreiging vormden voor zijn zoon Izaäk. Het vervolg van de Bijbel maakt overduidelijk dat je zoon wegsturen géén algemene regel is!

Aan de andere kant van het spectrum zien we dat er algemene wetten zijn die niet afhankelijk zijn van speciale omstandigheden. Veel van de voorschriften voor het volk Israël, zoals neergeschreven in de eerste vijf Bijbelboeken, gaan vergezeld van woorden als: “Dit zal voor u als een rechtsverordening gelden, al uw generaties door, in al uw woongebieden”. Deze wetten golden heel duidelijk voor alle Israëlieten, waar ze zich ook bevonden.

Maar dat betekent niet automatisch dat wij ons er ook aan moeten houden…

Wie waren de eerste toehoorders of lezers?

Behalve het onderscheid tussen algemene en specifieke geboden, moeten we ook rekening houden met de vraag voor wie een Bijbelgedeelte bedoeld was. Het merendeel van Gods geboden in het Oude Testament was geadresseerd aan het volk Israël. Enkele van de geboden in het Nieuwe Testament waren gericht aan de discipelen van Jezus, of aan een plaatselijke kerk. Andere geboden waren meer algemeen. Maar omdat de hele Bijbel opgeschreven werd vóór het jaar 100 AD, kunnen we er zeker van zijn dat hedendaagse christenen niet de eersten zijn die een bepaald Bijbelvers onder ogen krijgen en dus niet automatisch de beoogde doelgroep vormen.

Toch betekent dit niet dat de Bijbel alleen maar een geschiedkundig boek is over mensen die lang geleden leefden, zonder betekenis voor ons vandaag. Het tegendeel is waar: “Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid…” (2 Timotheüs 3:16). We moeten de betekenis van de Bijbelse geboden zorgvuldig proberen te achterhalen met inachtneming van de context van de hele Bijbel om zo de toepasbaarheid voor ons vast te stellen. We mogen een gebod dat is bedoeld voor het volk Israël, niet klakkeloos overnemen en toepassen voor onze eigen situatie.

De wet van het Oude Testament is in Christus vervuld

In Mattheüs 5:17 zegt Jezus dat Hij gekomen is om de Wet en de Profeten te vervullen. Hij heeft een fundamentele verandering teweeg gebracht. Veel oudtestamentische wetten hadden te maken met de tempeldienst, dierenoffers en rituele reiniging. Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat de gelovigen zich daar nu niet langer aan hoeven te houden, omdat Jezus Zelf het definitieve offer was. Hij heeft eens en voor altijd het enige zoenoffer gebracht en heeft daardoor allen die in Hem geloven tot volmaaktheid gebracht.

Hebreeën 10:1 (in de NBV21) legt uit dat “de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet”. Jezus heeft deze ‘goede dingen’ mogelijk gemaakt. Hij heeft een ‘nieuwe, levende weg’ gebaand om ons met God te kunnen verzoenen en die heeft de plaats ingenomen van de ceremoniële wetten van het Oude Testament. Als je hier meer over wilt weten, lees dan Handelingen 15:1-20.

Nieuwtestamentische voorschriften

Het Nieuwe Testament, het deel van de Bijbel dat geschreven werd na Jezus’ komst, bevat ook geboden die niet de bedoeling hadden dat ze overal en altijd gehouden werden. Een duidelijk voorbeeld daarvan is Jezus’ opdracht aan Zijn discipelen toen ze uitgezonden werden om het Evangelie te verkondigen: “Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs, neem geen reiszak mee voor onderweg, geen twee stel kleren, geen sandalen en geen stok. Want de arbeider is zijn voedsel waard” (Mattheüs 10:9-10). Met andere woorden, de discipelen moesten vertrouwen op de vrijgevigheid van degenen aan wie zij het woord verkondigden.

Maar dat is geen regel die geldt voor alle zendelingen overal, omdat in Lucas 22:35-36 Jezus Zelf Zijn discipelen de opdracht geeft om het tegenovergestelde te doen: “En Hij zei tegen hen: Heeft het u aan iets ontbroken, toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak en sandalen? Zij zeiden: Aan niets. Hij zei dan tegen hen: Maar nu, laat wie een beurs heeft, hem meenemen, evenzo ook een reiszak. En wie geen zwaard heeft, laat die zijn bovenkleed verkopen en er een kopen”. Dus, hoewel de onmiddellijke context van Mattheüs 10:9-10 wellicht suggereert dat Jezus’ gebod een algemene regel zou kunnen zijn, laat het vervolg van de Bijbel zien dat dit niet zo is. Het is daarom belangrijk om de hele Bijbel te lezen en er geen losstaande geboden uit te pikken.

Algemene theologische of morele principes versus specifieke toepassingen

Sommige Bijbelse geboden zijn algemene principes die we herhaaldelijk tegenkomen en bekrachtigd zien. Het duidelijkste voorbeeld in het Oude Testament zijn de zogenoemde Tien Geboden (zie Exodus 20:1-17). Deze worden ook opnieuw bevestigd in het Nieuwe Testament door zowel Jezus als Paulus (behalve het sabbatsgebod).

Hetzelfde geldt voor het gebod om God boven alles lief te hebben en onze naaste als onszelf (Deuteronomium 6:4-5, Leviticus 19:19, Marcus 12:29-31). Een ander thema dat we steeds weer tegenkomen in de Wet, de Psalmen, de Spreuken, de profetische boeken, de Evangeliën en de brieven is de noodzaak om barmhartigheid te betonen aan de armen en de behoeftigen, de sociaal zwakken en de vreemdelingen. We worden opgeroepen om deze geboden te houden en een rechtvaardig leven te leiden (1 Johannes 5:2; Romeinen 6)

De boeken Exodus, Numeri, Leviticus en Deuteronomium laten praktische manieren zien hoe we deze algemene principes kunnen volgen of negeren. In nieuwe omstandigheden kan het nodig zijn nieuwe vormen te vinden om het onderliggende principe effectief toe te kunnen passen.

Een voorbeeld: het verbod om de randen van je akkers te oogsten[1]

In Leviticus 19:9-10 verbiedt God de boeren om de randen van hun akkers te oogsten of hun land voor een tweede keer na te lopen. Wat van de oogst bleef liggen, was voor de armen en de vreemdelingen.

Dit gebod is goed toepasbaar in een agrarische omgeving, waar de armen toegang hebben tot de akkers. In onze moderne steden zou zoiets niet werken. Als we dus de armen willen helpen omdat God dat wil, dan moeten we andere manieren verzinnen om dat te doen. Voedselbanken zijn bijvoorbeeld een goede manier om verspilling tegen te gaan en armoede te bestrijden.

We hebben Gods Geest nodig om te kunnen onderscheiden

Het is duidelijk dat christenen nu sommige wetten niet langer hoeven te gehoorzamen. Andere zijn wel degelijk bedoeld voor alle mensen hier op aarde. Maar soms is het best lastig om vast te stellen welke delen van de Bijbel tijdloze geboden zijn en welke tijdgebonden, culturele gebruiken. Daarvoor hebben we de hulp van de Heilige Geest nodig. Hij kan ons laten zien wat goed is om te doen of na te laten. Als we ons zo door de Geest laten leiden, zullen we naar Gods wil leven (zie Johannes 16:13 and Galaten 5:16-18).

[1] Dit voorbeeld komt uit William W. Klein, Craig L. Blomberg and Robert L. Hubbard, Jr., Introduction to Biblical Interpretation ( Nashville: Thomas Nelson, Inc, 2004), pagina 487.

Deel artikel