Wat zijn geestelijke gaven?

De Bijbel spreekt over gaven die God aan Zijn kinderen geeft, in het bijzonder door de heilige Geest. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt is χάρισμα. Laten we eens kijken naar wat de apostelen Paulus en Petrus hierover schrijven.

Het geschenk van het eeuwige leven

Romeinen 6:23 zegt: “Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere”. Het eerste deel van dit vers heeft betrekking op alle mensen: ”Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben” (Romeinen 5:12).

Het geschenk van eeuwig leven is beschikbaar voor alle mensen die in Jezus geloven (Romeinen 5:15, Johannes 3:16). Hij verwierf het heil door Zijn bloed te vergieten voor zondige mensen. Daarom mogen we het eeuwige leven kosteloos ontvangen. Zoals 1 Peter 1:18-19 het zegt: “U bent niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht van uw zinloze levenswandel…, maar met het kostbaar bloed van Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam”. Elk kind van God heeft deze gave dus ontvangen.

Verschillende gaven in de kerk

Naast de gave van het eeuwige leven die alle gelovigen ontvangen, zijn er nog onderscheidende genadegaven. Niet elke gelovige ontvangt dezelfde gaven. De apostel Paulus legt het zo uit: “Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar. En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen, hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid” (Romeinen 12:4-8).

In 1 Korinthiërs 12:4-11 behandelt hij hetzelfde onderwerp:

Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest. Er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer. Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan ieder echter wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander. Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest; en aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest; en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen. Al deze dingen echter werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil.

Deze opsommingen zijn niet uitputtend. Zo merkt Paulus in 1 Korinthiërs 7:7 nog op dat zowel het getrouwd zijn als het ongetrouwd zijn, gaven van God zijn.

De gaven dienen het welzijn van de hele gemeente

De bovenstaande verzen laten zien dat de geestesgaven niet in de eerste plaats bedoeld zijn voor de individuele gelovige, maar voor het kerk als geheel. Paulus legt dat verder uit aan het eind van het hoofdstuk: “Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden. God nu heeft sommigen in de gemeente een plaats gegeven: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, daarna genadegaven van genezingen, vormen van hulpverlening, bestuurlijke gaven, allerlei talen. Zijn zij soms allen apostelen? Zijn zij soms allen profeten? Zijn zij soms allen leraars? Zijn zij soms allen krachten? Hebben zij soms allen genadegaven van genezingen? Spreken zij soms allen in talen? Zijn zij soms allen uitleggers? Streef dus naar de beste genadegaven” (1 Korinthiërs 12:27-31).

En in 1 Korinthiërs 14:12 schrijft hij: “Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft, zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de gemeente”. De apostel Petrus zegt in wezen hetzelfde: “Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God” (1 Peter 4:10).

Liefde als hoogste gave

Na de opsomming van verschillende gaven van de Geest zegt de apostel Paulus: “Streef dus naar de beste genadegaven. En ik wijs u een weg die dit alles nog overtreft” (1 Korinthiërs 12:31). Wat dat inhoudt wordt in het volgende hoofdstuk uitgelegd: “Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden. En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets. En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets” (1 Korinthiërs 13:1-3).

Daarom zouden alle geestesgaven in broederlijke liefde ingebed moeten zijn. Elke gelovige zou moeten willen uitblinken in het liefhebben van de ander, ongeacht eventuele gaven die hij of zij wel of niet bezit.

Zijn alle geestesgaven nog steeds aanwezig?

Paulus noemt de “apostelen” als een groep die God in de kerk heeft aangesteld. Deze mannen waren ooggetuigen van het aardse leven, de dood en opstanding van Jezus. Ze verkondigden het komende Koninkrijk van God, een nieuw tijdperk in Gods heilsplan. Wat ze leerden is aan ons overgeleverd in het Nieuwe Testament.

In onze tijd zijn er geen apostelen meer, want alle ooggetuigen van Jezus’ aardse leven zijn al lang geleden overleden. De apostel Paulus lijkt te zeggen dat het verrichten van tekenen en wonderen bij de bediening van een apostel hoorden: “De tekenen van een apostel zijn onder u verricht, in alle volharding, in tekenen, wonderen en krachten” (2 Korintiërs 12:12). Dit zou kunnen inhouden dat die tekenen en wonderen opgehouden zijn na het tijdperk van de apostelen of vooral voorkomen in situaties waar het Evangelie voor de eerste keer verkondigd wordt.

Laten we de gaven van genezing als voorbeeld nemen. Die waren duidelijk aanwezig in de vroege kerk zoals beschreven in het boek Handelingen: “En er werden er steeds meer toegevoegd die in de Heer geloofden, menigten van zowel mannen als vrouwen, zodat zij de zieken naar buiten droegen op de straten en hen op bedden en ligmatten legden, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou kunnen vallen.En ook de menigte uit de steden in de omgeving kwam gezamenlijk naar Jeruzalem. Men bracht zieken en hen die door onreine geesten gekweld werden, en zij werden allen genezen” (Handelingen 5:14-16).

Natuurlijk kan God nog steeds mensen beter maken. Maar het gebeurt niet langer overal op een dergelijk grote schaal als toen Jezus nog op aarde was en tijdens de eerste jaren van de kerk, toen de discipelen “overal heengingen om te prediken, en de Heere meewerkte en het Woord bevestigde door de tekenen die erop volgden” (Markus 16:20).

De Heilige Geest “deelt aan ieder afzonderlijk uit zoals Hij wil” (1 Korinthiërs 12:11). Dit kan betekenen dat in sommige tijden of streken sommige speciale gaven van de Geest meer voorkomen dan in andere perioden en plaatsen.

Deel artikel