Deuteronomium is een belangrijk Bijbelboek. Het vormt de afsluiting van de Thora (de eerste vijf boeken in de Bijbel) en het legt de basis onder de navolgende historische boeken van het Oude Testament. Daarnaast wordt Deuteronomium vaak aangehaald in het Nieuwe Testament.
De structuur van Deuteronomium heeft overeenkomsten met vazalverdragen uit het tweede millennium voor Christus. Na een proloog volgt eerst een historisch gedeelte, daarna algemene overeenkomsten, vervolgens specifieke overeenkomsten, zegeningen en vervloekingen, een afsluiting en een getuigenis. In dit artikel zal de inhoud van Deuteronomium in hoofdlijnen worden weergeven.

Historische proloog (Deuteronomium 1-4:43)

In Deuteronomium staat het verbond tussen God en Israël centraal. Het volk Israël is na veertig jaar zwerven door de woestijn nu gekomen tot aan de grenzen van het beloofde land. Mozes weet dat hij daar moet achterblijven. Voor de laatste keer spreekt hij het volk toe. Met het verslag van Mozes’ afscheidsrede is een groot deel van het boek Deuteronomium gevuld. Mozes verhaalt eerst de geschiedenis van de lange woestijnreis. Bijna veertig jaar geleden stond Israël eveneens aan de grenzen van Kanaän. Na het verslag van vooruitgestuurde spionnen over sterke steden en reuzen zonk de moed het volk in de schoenen.

Hoe moesten ze dit sterke land veroveren? Ze vertrouwden niet op de macht en de trouw van hun God en kwamen in opstand. God strafte hen: alle Israëlieten van twintig jaar of ouder moesten in de woestijn sterven. Hun kinderen zouden pas het land innemen. Aan het einde van de veertig jaar trok Israël door het gebied van Edom, Moab en Ammon en kwam in het Over-Jordaanse land. Daar versloegen ze koning Sihon van Hesbon en Og van Basan. Het Over-Jordaanse land werd verdeeld onder de stam van Ruben, van Gad en onder de halve stam van Manasse. Ook werden er drie vrijsteden aangewezen.

Algemene verbondsbepalingen (Deuteronomium 4:44-11:32)

Nadat Mozes de lange voorgeschiedenis uit de doeken heeft gedaan, komt hij tot de algemene verbondsbepalingen. God heeft een verbond gesloten met Israël op de berg Horeb (Deuteronomium 5:2). De Tien Geboden zijn een samenvatting van wat God van Zijn volk vraagt. Mozes herhaalt daarom eerst deze wet van God: “Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft…” (Deuteronomium 5:6). In het vervolg van Deuteronomium worden deze tien woorden uitgewerkt in meer specifieke bepalingen. Mozes spoort het volk aan om de Heere God met hun hele hart te dienen: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.” (Deuteronomium 6:4).

Er is maar één God, de God van Israël. Hij heeft dit volk onder alle andere volken uitgekozen om Hem te vrezen. Daarom moeten ze zich houden aan Gods bepalingen, want dan alleen zullen ze vrede hebben en zal de Heere God hen zegenen. Ze mogen hun God niet vergeten als ze voorspoed hebben, anders zal het snel afgelopen zijn met de welvaart. Het volk heeft geen reden zich te beroemen op zijn afkomst, want die was immers vol zonde. Het is slechts Gods vrije genade dat Hij voor dit volk gekozen heeft. Daarom moesten de Israëlieten de voorhuid van hun hart besnijden en niet langer halsstarrig zijn (Deuteronomium 10:16).

Bijzondere verbondsbepalingen (Deuteronomium 12-26)

Nu Mozes in het voorgaande de algemene de wil van God aan het volk bekend heeft gemaakt, behandelt hij in hoofdstuk 12 tot en met 26 allerlei specifieke gevallen, grofweg in de volgorde van de Tien Geboden. Mozes waarschuwt tegen afgoderij en het eten van onrein voedsel. Hij draagt het volk op om tienden af te dragen en om de sabbatsjaren en feesten te onderhouden. Mozes geeft instructies voor koningen, priesters en profeten. Ook maakt hij Gods wetten met betrekking tot seksualiteit en eigendommen bekend. Dit alles gaf het volk houvast om het leven naar Gods wil vorm te geven.

Zegen en vloek (Deuteronomium 27-28)

De lange reeks wetten komt tot een afsluiting in de zegen en vloek die op de bergen Gerizim en Ebal uitgesproken moest worden. Wanneer het volk Gods stem zou gehoorzamen en Zijn wetten onderhouden, zou een rijke zegen op hen neerdalen. Het land zou vol vrucht zijn en het volk zou in vrede leven: “De HEERE zal de zegen over u gebieden in uw schuren en in alles wat u ter hand neemt. Hij zal u zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u geeft” (Deuteronomium 28:8). Maar als ze naar rechts of links zouden afwijken, als ze Gods geboden en verordeningen niet nauwlettend zouden gehoorzamen, dan zouden de vreselijkste plagen hen treffen. Ziekte, honger, oorlog, rampen zouden hen dan overspoelen. Het volk zou in ballingschap worden gevoerd.

Afsluiting (Deuteronomium 29-34)

Met allerlei argumenten spoort Mozes het volk aan toch vooral voor de Heere en Zijn dienst te kiezen. Zelfs als de verbondsvloek hen getroffen heeft, is er nog altijd een uitweg door bekering. Mozes stelt hen voor de keuze tussen leven of dood. Wie voor de Heere kiest, ontvangt het leven. Wie zich van Hem afkeert, gaat de dood tegemoet. In Deuteronomium 31 wordt Jozua als Mozes’ opvolger aangesteld. Daarna zingt Mozes een lied dat functioneert als getuigenis voor Israël. Mozes zegent tenslotte de twaalf stammen en sterft op de berg Nebo.

Lessen voor ons