Wat vertelt het boek Jeremia ons? (Deel 1/2)

Het boek Jeremia kan op een beknopte manier samengevat worden, of op een zeer grondige en gedetailleerde manier. ‘Beknopt’ zou zijn om te zeggen dat Jeremia van God de opdracht kreeg om in de naam van de HEER belangrijke waarschuwingen en beloften aan het volk van Juda door te geven, en uiteindelijk de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap te voorspellen. Zijn profetieën werden vervuld: Jeremia was een ware profeet. In het Nieuwe Testament wordt hij meer dan 120 keer geciteerd en er wordt naar hem verwezen, onder andere door Jezus. Veel van de historische verhaallijnen in dit boek komen ook voor in 2 Koningen, waarvan wordt aangenomen dat die tekst ook door Jeremia is geschreven.

‘Grondig en gedetailleerd’ zou zijn om alle verzen in dit boek afzonderlijk uitgebreid te bestuderen, omdat de geschriften van Jeremia een schat aan informatie en links naar andere boeken bevatten; soms ‘verborgen’ in een enkele zin die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.
In dit overzicht beperken we ons echter tot ‘een uitgebreide samenvatting’.

1. Wat is de context?

Jeremia was nog een jonge man toen God hem opdroeg om uit te gaan en namens Hem te spreken (Jeremia 1:6). Jeremia heeft dat bijna veertig jaar lang gedaan. De Israëlieten in Juda hadden net tientallen jaren van een slecht en afgodisch bewind van koning Manasse (en kortstondig van zijn zoon Amon) achter de rug, toen koning Josia de troon besteeg. Josia was vastbesloten om in de voetsporen van zijn overgrootvader, koning Hizkia, te treden, die “deed wat goed, juist en trouw was voor de HEERE, zijn God” (2 Kronieken 31:20). Wanneer God Jeremia roept (Jeremia 1:2), zit koning Josia al dertien jaar op de troon. Jeremia reageert niet enthousiast, maar in een kleine afwijking van het begrip ‘vrije wil’ vertelt God Jeremia dat weigeren geen optie is (1:17).

In dit stadium lijkt het erop dat God Jeremia stuurt om de godvrezende heerschappij van Josia kracht bij te zetten – twee individuen die ongeveer even oud zijn en voorbestemd om deel uit te maken van Gods plannen voor Zijn volk. We lezen hoe God Jeremia op zijn opdracht voorbereidde toen hij nog in de buik van zijn moeder was (1:5), om niet alleen tot de Israëlieten te spreken, maar “tot de volken”, en over hun hoofden heen tot lezers in de 21e eeuw.

2. Wat is de boodschap van de eerste 25 hoofdstukken van het boek Jeremia?

Het volk van Juda is zich bijna zestig jaar lang te buiten gegaan aan afgoderij en goddeloosheid, en toch verwachten ze nog steeds dat God hen helpt wanneer ze met tegenspoed worden geconfronteerd. Gods antwoord is schamper: “Maar waar zijn uw goden die u zich gemaakt hebt? Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen, op het moment dat onheil u treft; want het aantal van uw goden is even groot als uw steden, Juda” (Jeremia 2:28). In de tijd van Jeremia waren Israël en Juda twee afzonderlijke koninkrijken en beide hadden afgoderij bedreven (Jeremia 3:6-13).

God is niet onwillig om hen te vergeven, maar zij moeten eerst hun schuld erkennen en toegeven dat zij “in opstand zijn gekomen tegen de Heer, uw God, en onder elke bladerrijke boom op zoek gegaan zijn naar vreemden en niet geluisterd hebt naar Mijn stem” (Jeremia 3:13). Als en wanneer zij hun schuld aanvaarden, dan wil God Israël en Juda herenigen.

Via Jeremia geeft God vele waarschuwingen, o.a. tegen vijf Judese koningen (Jeremia 21-22) en een groot aantal andere heersers aangaande wie Jeremia de opdracht krijgt om tegen hen te profeteren (Jeremia 25:17-26). God geeft Jeremia ook de opdracht om de profeten van zijn tijd te confronteren (Jeremia 23) met woorden die heel goed van toepassing zouden kunnen zijn op de christelijke kerken van vandaag. Het mag echter allemaal niet baten: de waarschuwingen worden in de wind geslagen en de beloften niet aanvaard, zelfs niet wanneer een deel van de koninklijke familie, de adel en de burgers van Jeruzalem al naar Babylon zijn afgevoerd. (Vanaf Jeremia 20:5 waarschuwt de profeet het volk voor de dreigende ballingschap naar Babylon, die gedetailleerd wordt beschreven in 2 Koningen 17-25, Ezra 1-8 en Nehemia 7 en 12).

3. Hoe reageert Jeremia zelf?

In Jeremia 4:10 lezen we dat hij eigenlijk een vredig bestaan had verwacht. Maar al vroeg in zijn bediening kondigt God aan dat een vijand uit het noorden alles zal vernietigen (4:23-26). Er is maar één manier om dit te voorkomen: “Jeruzalem, was het kwaad van uw hart af, opdat u verlost wordt” (4:14a). God sprak voor het eerst tot Jeremia in ongeveer 627 voor Christus, hoewel het nog enkele tientallen jaren zou duren voordat de Babylonische koning Nebukadnessar Juda zou binnenvallen (in ongeveer 608 voor Christus).

Hij krijgt de taak om het volk te vertellen dat het zich moet bekeren (Jeremia 5:1) en – dit doet denken aan hoe Abraham met God onderhandelde (Genesis 18:16-33) over het lot van Sodom en Gomorra – God belooft dat Juda gespaard zal worden als er ook maar één rechtvaardig individu in Jeruzalem gevonden kan worden (Jeremia 5:1).

Jeremia’s strategie is om de religieuze leiders te confronteren, omdat hij gelooft dat de gewone mensen in Juda simpelweg niet beseffen wat God van hen vraagt (Jeremia 5:4-5). Maar tot zijn ontzetting zijn ze niet bereid om te luisteren. Het volk beweert dat God zich zeker over hen zal ontfermen (Jeremia 5:12). Tegelijkertijd haten ze Gods woorden (6:10). God onthult aan Jeremia dat Hij hen uit hun land zal verwijderen (5:19 en 9:9-10) omdat dit de enige logische handelwijze is om hen te straffen (5:29-31) voor hun goddeloosheid. Desondanks belooft God herhaaldelijk genadig te zijn, mocht het volk zich bekeren (6:8, 6:16, 7:3, 7:7).

Jeremia’s smeekbeden helpen niet (7:16) en offers ook niet (6:20). In hoofdstuk 14, voordat de Babylonische invasie heeft plaatsgevonden, wordt Juda gestraft met een grote droogte. Opnieuw smeekt Jeremia tot God en suggereert dat het volk wordt misleid door hun valse profeten die vrede en overvloed voorspellen (Jeremia 14:15).

4. Een einde aan Gods genade

God gaat heel ver om Jeremia uit te leggen waarom de Israëlieten het verdienen om gestraft te worden met vernietiging en ballingschap. Hoofdstuk 11 beschrijft Gods grote teleurstelling over de weigering van Israël en Juda om Zijn verbond met hen na te komen. De gedetailleerdheid van Gods gesprekken met Jeremia is opmerkelijk. Maar naarmate Gods uitleg vordert, wordt duidelijk hoezeer God bedroefd is over het verraad en de ontrouw van Israël en Juda. De Israëlieten hadden Hem tot een “volk, een naam, een lof en een luister” moeten zijn, maar zij wilden niet luisteren (Jeremia 13:11).

In Jeremia 14:20-22 geeft het volk eindelijk schuld toe, maar God reageert afwijzend: “Ik ben het berouw hebben moe” (15:6b). Dat is nogal een uitspraak; God heeft sinds de Exodus geduld gehad met de Israëlieten – nu is het tijd voor Zijn oordeel. Jeremia hoeft zich ook niet druk te maken over verdere voorbede. “En u, bid niet voor dit volk en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen” (11:14).

5. Wat doet zijn bediening met Jeremia persoonlijk en wat zijn de vooruitzichten?

Jeremia betreurt de manier waarop Gods openbaringen zijn persoonlijke situatie beïnvloeden (15:15-18 en 20:7-8) en vanwege zijn algemene gemoedstoestand en deprimerende boodschappen wordt Jeremia vaak de ‘klagende profeet’ genoemd. Jeremia weende over Juda (8:18, 9:10) zoals Jezus weende over Jeruzalem (Lucas 19:41). Hoewel hij een groot man van God was, bracht Jeremia’s buitengewone optreden hem geen troost of rijkdom, omdat de mensen het niet op prijs stelden dat hen werd verteld wat ze wel en niet mochten doen. In 20:2 krijgt Jeremia een pak slaag (zou het Jeremia kunnen zijn geweest aan wie Jezus dacht in de gelijkenis van de pachters in de wijngaard in Marcus 12?).

Ook zijn er doodsbedreigingen (26:11) en het ergste moet nog komen. Maar Jeremia merkt dat hij niet kan stoppen met profeteren, gedwongen als hij is om Gods woorden te blijven delen (20:9), ook al vervloekt hij zijn geboortedag (20:14-18) vanwege de minachting, afwijzing en geweldsdreigingen van het volk.

God is niet onverschillig voor Jeremia’s lijden. De bovengenoemde afranseling zet God ertoe aan om een man genaamd Pashur de priester zwaar te straffen (20:4-6) en elders beschermt God Jeremia (39:12). Maar Hij bepaalt ook dat Jeremia niet mag trouwen of kinderen krijgen (16:2), mogelijk om ervoor te zorgen dat Jeremia niet van zijn missie zou worden afgeleid, of omdat God wist dat een echtgenote en kinderen in de jaren die zouden volgen, veel zouden lijden.

Wanneer de vijandelijkheden tussen de Babyloniërs en Juda beginnen, herhaalt God opnieuw Zijn voorwaarden voor genade (die kunnen worden samengevat als: gehoorzaamheid) en de gevolgen van het niet voldoen aan deze voorwaarden (22:3-5). In Jeremia 23:5-6 staat God op het punt om Zijn plan voor de verlossing van de mensheid te onthullen.“Een rechtvaardige spruit zal voor David opstaan. Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen, Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen. En dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal: ‘De HEERE onze gerechtigheid.’” Deze Spruit is niemand anders dan Jezus Christus, onze Verlosser.

Zie deel twee van het Boek Jeremia voor onze studie van de hoofdstukken 26-52.

📁 , ,
Wat vertelt het boek Jeremia ons? (Deel 1/2)

Het boek Jeremia kan op een beknopte manier samengevat worden, of op een zeer grondige en gedetailleerde manier. ‘Beknopt’ zou zijn om te zeggen dat Jeremia van God de opdracht kreeg om in de naam van de HEER belangrijke waarschuwingen en beloften aan het volk van Juda door te geven, en uiteindelijk de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap te voorspellen. Zijn profetieën werden vervuld: Jeremia was een ware profeet. In het Nieuwe Testament wordt hij meer dan 120 keer geciteerd en er wordt naar hem verwezen, onder andere door Jezus. Veel van de historische verhaallijnen in dit boek komen ook voor in 2 Koningen, waarvan wordt aangenomen dat die tekst ook door Jeremia is geschreven.

‘Grondig en gedetailleerd’ zou zijn om alle verzen in dit boek afzonderlijk uitgebreid te bestuderen, omdat de geschriften van Jeremia een schat aan informatie en links naar andere boeken bevatten; soms ‘verborgen’ in een enkele zin die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.
In dit overzicht beperken we ons echter tot ‘een uitgebreide samenvatting’.

1. Wat is de context?

Jeremia was nog een jonge man toen God hem opdroeg om uit te gaan en namens Hem te spreken (Jeremia 1:6). Jeremia heeft dat bijna veertig jaar lang gedaan. De Israëlieten in Juda hadden net tientallen jaren van een slecht en afgodisch bewind van koning Manasse (en kortstondig van zijn zoon Amon) achter de rug, toen koning Josia de troon besteeg. Josia was vastbesloten om in de voetsporen van zijn overgrootvader, koning Hizkia, te treden, die “deed wat goed, juist en trouw was voor de HEERE, zijn God” (2 Kronieken 31:20). Wanneer God Jeremia roept (Jeremia 1:2), zit koning Josia al dertien jaar op de troon. Jeremia reageert niet enthousiast, maar in een kleine afwijking van het begrip ‘vrije wil’ vertelt God Jeremia dat weigeren geen optie is (1:17).

In dit stadium lijkt het erop dat God Jeremia stuurt om de godvrezende heerschappij van Josia kracht bij te zetten – twee individuen die ongeveer even oud zijn en voorbestemd om deel uit te maken van Gods plannen voor Zijn volk. We lezen hoe God Jeremia op zijn opdracht voorbereidde toen hij nog in de buik van zijn moeder was (1:5), om niet alleen tot de Israëlieten te spreken, maar “tot de volken”, en over hun hoofden heen tot lezers in de 21e eeuw.

2. Wat is de boodschap van de eerste 25 hoofdstukken van het boek Jeremia?

Het volk van Juda is zich bijna zestig jaar lang te buiten gegaan aan afgoderij en goddeloosheid, en toch verwachten ze nog steeds dat God hen helpt wanneer ze met tegenspoed worden geconfronteerd. Gods antwoord is schamper: “Maar waar zijn uw goden die u zich gemaakt hebt? Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen, op het moment dat onheil u treft; want het aantal van uw goden is even groot als uw steden, Juda” (Jeremia 2:28). In de tijd van Jeremia waren Israël en Juda twee afzonderlijke koninkrijken en beide hadden afgoderij bedreven (Jeremia 3:6-13).

God is niet onwillig om hen te vergeven, maar zij moeten eerst hun schuld erkennen en toegeven dat zij “in opstand zijn gekomen tegen de Heer, uw God, en onder elke bladerrijke boom op zoek gegaan zijn naar vreemden en niet geluisterd hebt naar Mijn stem” (Jeremia 3:13). Als en wanneer zij hun schuld aanvaarden, dan wil God Israël en Juda herenigen.

Via Jeremia geeft God vele waarschuwingen, o.a. tegen vijf Judese koningen (Jeremia 21-22) en een groot aantal andere heersers aangaande wie Jeremia de opdracht krijgt om tegen hen te profeteren (Jeremia 25:17-26). God geeft Jeremia ook de opdracht om de profeten van zijn tijd te confronteren (Jeremia 23) met woorden die heel goed van toepassing zouden kunnen zijn op de christelijke kerken van vandaag. Het mag echter allemaal niet baten: de waarschuwingen worden in de wind geslagen en de beloften niet aanvaard, zelfs niet wanneer een deel van de koninklijke familie, de adel en de burgers van Jeruzalem al naar Babylon zijn afgevoerd. (Vanaf Jeremia 20:5 waarschuwt de profeet het volk voor de dreigende ballingschap naar Babylon, die gedetailleerd wordt beschreven in 2 Koningen 17-25, Ezra 1-8 en Nehemia 7 en 12).

3. Hoe reageert Jeremia zelf?

In Jeremia 4:10 lezen we dat hij eigenlijk een vredig bestaan had verwacht. Maar al vroeg in zijn bediening kondigt God aan dat een vijand uit het noorden alles zal vernietigen (4:23-26). Er is maar één manier om dit te voorkomen: “Jeruzalem, was het kwaad van uw hart af, opdat u verlost wordt” (4:14a). God sprak voor het eerst tot Jeremia in ongeveer 627 voor Christus, hoewel het nog enkele tientallen jaren zou duren voordat de Babylonische koning Nebukadnessar Juda zou binnenvallen (in ongeveer 608 voor Christus).

Hij krijgt de taak om het volk te vertellen dat het zich moet bekeren (Jeremia 5:1) en – dit doet denken aan hoe Abraham met God onderhandelde (Genesis 18:16-33) over het lot van Sodom en Gomorra – God belooft dat Juda gespaard zal worden als er ook maar één rechtvaardig individu in Jeruzalem gevonden kan worden (Jeremia 5:1).

Jeremia’s strategie is om de religieuze leiders te confronteren, omdat hij gelooft dat de gewone mensen in Juda simpelweg niet beseffen wat God van hen vraagt (Jeremia 5:4-5). Maar tot zijn ontzetting zijn ze niet bereid om te luisteren. Het volk beweert dat God zich zeker over hen zal ontfermen (Jeremia 5:12). Tegelijkertijd haten ze Gods woorden (6:10). God onthult aan Jeremia dat Hij hen uit hun land zal verwijderen (5:19 en 9:9-10) omdat dit de enige logische handelwijze is om hen te straffen (5:29-31) voor hun goddeloosheid. Desondanks belooft God herhaaldelijk genadig te zijn, mocht het volk zich bekeren (6:8, 6:16, 7:3, 7:7).

Jeremia’s smeekbeden helpen niet (7:16) en offers ook niet (6:20). In hoofdstuk 14, voordat de Babylonische invasie heeft plaatsgevonden, wordt Juda gestraft met een grote droogte. Opnieuw smeekt Jeremia tot God en suggereert dat het volk wordt misleid door hun valse profeten die vrede en overvloed voorspellen (Jeremia 14:15).

4. Een einde aan Gods genade

God gaat heel ver om Jeremia uit te leggen waarom de Israëlieten het verdienen om gestraft te worden met vernietiging en ballingschap. Hoofdstuk 11 beschrijft Gods grote teleurstelling over de weigering van Israël en Juda om Zijn verbond met hen na te komen. De gedetailleerdheid van Gods gesprekken met Jeremia is opmerkelijk. Maar naarmate Gods uitleg vordert, wordt duidelijk hoezeer God bedroefd is over het verraad en de ontrouw van Israël en Juda. De Israëlieten hadden Hem tot een “volk, een naam, een lof en een luister” moeten zijn, maar zij wilden niet luisteren (Jeremia 13:11).

In Jeremia 14:20-22 geeft het volk eindelijk schuld toe, maar God reageert afwijzend: “Ik ben het berouw hebben moe” (15:6b). Dat is nogal een uitspraak; God heeft sinds de Exodus geduld gehad met de Israëlieten – nu is het tijd voor Zijn oordeel. Jeremia hoeft zich ook niet druk te maken over verdere voorbede. “En u, bid niet voor dit volk en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen” (11:14).

5. Wat doet zijn bediening met Jeremia persoonlijk en wat zijn de vooruitzichten?

Jeremia betreurt de manier waarop Gods openbaringen zijn persoonlijke situatie beïnvloeden (15:15-18 en 20:7-8) en vanwege zijn algemene gemoedstoestand en deprimerende boodschappen wordt Jeremia vaak de ‘klagende profeet’ genoemd. Jeremia weende over Juda (8:18, 9:10) zoals Jezus weende over Jeruzalem (Lucas 19:41). Hoewel hij een groot man van God was, bracht Jeremia’s buitengewone optreden hem geen troost of rijkdom, omdat de mensen het niet op prijs stelden dat hen werd verteld wat ze wel en niet mochten doen. In 20:2 krijgt Jeremia een pak slaag (zou het Jeremia kunnen zijn geweest aan wie Jezus dacht in de gelijkenis van de pachters in de wijngaard in Marcus 12?).

Ook zijn er doodsbedreigingen (26:11) en het ergste moet nog komen. Maar Jeremia merkt dat hij niet kan stoppen met profeteren, gedwongen als hij is om Gods woorden te blijven delen (20:9), ook al vervloekt hij zijn geboortedag (20:14-18) vanwege de minachting, afwijzing en geweldsdreigingen van het volk.

God is niet onverschillig voor Jeremia’s lijden. De bovengenoemde afranseling zet God ertoe aan om een man genaamd Pashur de priester zwaar te straffen (20:4-6) en elders beschermt God Jeremia (39:12). Maar Hij bepaalt ook dat Jeremia niet mag trouwen of kinderen krijgen (16:2), mogelijk om ervoor te zorgen dat Jeremia niet van zijn missie zou worden afgeleid, of omdat God wist dat een echtgenote en kinderen in de jaren die zouden volgen, veel zouden lijden.

Wanneer de vijandelijkheden tussen de Babyloniërs en Juda beginnen, herhaalt God opnieuw Zijn voorwaarden voor genade (die kunnen worden samengevat als: gehoorzaamheid) en de gevolgen van het niet voldoen aan deze voorwaarden (22:3-5). In Jeremia 23:5-6 staat God op het punt om Zijn plan voor de verlossing van de mensheid te onthullen.“Een rechtvaardige spruit zal voor David opstaan. Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen, Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen. En dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal: ‘De HEERE onze gerechtigheid.’” Deze Spruit is niemand anders dan Jezus Christus, onze Verlosser.

Zie deel twee van het Boek Jeremia voor onze studie van de hoofdstukken 26-52.

📁 , ,