Wat leert God ons in de brief aan de Filippenzen?

De brief van Paulus aan de gemeente te Filippi behoort tot een van zijn meest positief getoonzette geschriften. Er is geen spoor te vinden van verwijten zoals in de brieven aan de Galaten of aan de Korinthiërs. Integendeel, de hele brief ademt blijdschap en dankbaarheid. In dit artikel zullen we de inhoud en de lessen van deze brief op hoofdlijnen nagaan.

Aanleiding tot schrijven

De gemeente van Filippi was van bijzondere betekenis voor Paulus. Hij stelde de gemeente van Filippi ten voorbeeld voor o.a. de gemeente van Korinthe (2 Korinthe 8:1-2). Het was de eerste gemeente die hij stichtte op het Europese continent. Lydia en de stokbewaarder waren er tot bekering gekomen (Handelingen 16). Paulus bezocht de gemeente tijdens latere reizen nog meerdere keren. Paulus schreef deze brief terwijl hij gevangen zat (1:13), waarschijnlijk in Rome (4:22), terwijl hij rekening hield met de doodstraf (1:20). De directe aanleiding om de pen te pakken was de gift die de gemeente van Filippi aan Paulus had gezonden door middel van Epafroditus (4:10). Paulus maakt van die gelegenheid gebruikt om de Filippenzen te bemoedigen in het geloof.

Groet en dankzegging (1:1-11)

Zoals gewoonlijk begint Paulus zijn brief met een groet en een dankgebed, waarin al de belangrijkste thema’s van de brief genoemd worden. Paulus dankt God voor de verbondenheid tussen hem en de Filippenzen en de verbondenheid tussen de Filippenzen en het Evangelie van God. Daarnaast bidt hij of hun liefde nog overvloediger en vruchtbaarder zal worden, wat strekt tot eer van God.

Paulus in de gevangenis (1:12-30)

Paulus zit gevangen in Rome. Maar hij wil de Filippenzen duidelijk maken dat dit voor hem geen reden is tot moedeloosheid. Het belangrijkste is dat het Evangelie voortgang vindt, hetzij door Paulus zelf, hetzij door anderen. Het maakt voor Paulus niet uit of hij blijft leven of moet sterven, “want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst (…) Want ik word door deze twee gedrongen: ik heb de begeerte om heen te gaan en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste, maar in het vlees te blijven is noodzakelijker voor u.” (1:21-24). Toch vertrouwt Paulus dat hij nog tijd van leven krijgt om de Filippenzen van dienst te zijn. Daarom roept hij hen er ook toe op om waardig en eensgezind te zijn met betrekking tot het Evangelie.

Vermaning tot nederigheid (2:1-30)

Paulus’ aansporing krijgt een vervolg in het tweede hoofdstuk. Hoogmoed ligt altijd bij iedereen op de loer, maar door het voorbeeld van Christus worden we geoefend in nederigheid. Paulus haalt een oude hymne aan waarin de nederigheid van Christus bezongen wordt (2:6-11). Nederigheid leidt tot lofzang; en dat is waar de Filippenzen toe geroepen worden. Daardoor kunnen ze oprecht schijnen als lichten in zondige wereld. Paulus geeft de Filippenzen vervolgens nog twee voorbeelden van mensen hun leven invullen met dienen in nederigheid: Timotheüs en Epafroditus. Timotheüs zal spoedig tot de gemeente van Filippi komen. Van Epafroditus vermeldt Paulus dat hij weer opgeknapt is na een ernstige ziekte, en dat hij ook naar Filippi zal reizen. Dat bericht zal tot veel blijdschap strekken bij de Filippenzen.

Waarschuwing voor tegenstanders (3:1-21)

Als het goed gaat in een gemeente of kerk, betekent het niet dat men op zijn lauweren kan gaan rusten. Altijd moeten we waakzaam zijn voor bedreigingen. Altijd moeten we streven naar meer. Dat deed Paulus zelf ook: “één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus.” (3:14). Hij achtte zijn vorige leven als Farizeeër volstrekt waardeloos: “Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus’ wil als schade beschouwd. Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere, om Wie ik dat alles als schade ervaren heb. En ik beschouw het als vuiligheid, opdat ik Christus mag winnen” (3:7-8).

Alleen de gerechtigheid van Christus had voor Paulus nog betekenis. Alles wat daar tegen in gaat, beschouwt hij als een gevaar, met name mensen die van hun buik een god maken, die zichzelf zoeken te eren en aardse dingen bedenken. De Filippenzen moeten zich met dergelijke mensen niet inlaten, maar de Zaligmaker uit de hemel verwachten. Zoals de stad Filippi een kolonie van Rome was, zo is de gemeente van Filippi een kolonie van de hemel, waar ze thuishoort.

Afsluitende bemoedigingen (4:1-23)

In het laatste hoofdstuk van de brief roept Paulus nogmaals op tot eenheid in de gemeente, tot blijdschap in de Heere en tot vertrouwen in Gods leiding. Paulus bedankt de gemeente van Filippi hartelijk voor de steun die hij van hen ontvangen heeft. Het is hem niet te doen om geld, want hij heeft geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij verkeert (4:11). “Alle dingen kan ik aan door Christus, Die mij kracht geeft.” (4:13), zo stelt hij. De steun van de gemeente is echter wel een teken van de oprechtheid van hun geloof, als een offer dat aan God welgevallig is. Paulus besluit de brief met verschillende groeten en de zegenbede: “De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.” (4:23).

Lessen voor ons

  • Blijdschap is geen optioneel, maar een wezenlijk onderdeel van het christelijk geloof
  • Christus leert ons wat nederigheid is. We moeten in alles Zijn voorbeeld volgen, dan zal God ons rechtvaardigen op de dag van Christus’ komst
  • Voorspoed kan luiheid en lauwheid veroorzaken, maar dat voorkomen we door ons op Christus te focussen
  • Aardse omstandigheden worden gerelativeerd door het alomvattende heil van Christus Jezus.

Deel artikel