Wat leert de Bijbel ons over ‘bedelingen’?

In de Bijbel zijn er verschillende stadia in de manier waarop God zich aan de mens openbaart. Het was Adam verboden om te eten van de boom in de hof van Eden, en nadat hij dat toch had gedaan, kreeg hij de belofte van de Heiland. God riep Abraham en beloofde dat alle volken gezegend zouden worden door zijn nageslacht. God openbaarde de wet aan het volk Israël in de tijd van Mozes. Jezus bracht Gods redding aan allen die in Hem geloven. Op een dag zal Jezus terugkomen en zullen we gelukkig zijn in Gods aanwezigheid op de nieuwe aarde, voor alle eeuwigheid. In elke fase krijgen de mensen een beetje meer inzicht in wie God is en hoe Hij werkt. En toen Jezus kwam, begrepen ze veel meer! De glorie die Jezus bracht, gaat veel verder dan wat mensen eerder hebben meegemaakt (zie 2 Korinthiërs 3).

Verantwoordelijkheid

Sommige mensen noemen deze stadia ‘bedelingen’. Dat is gebaseerd op oude vertalingen van Efeze 3:2, waarin Paulus spreekt over “de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u“. Deze mensen denken dat Paulus hier schrijft over de bedeling als een tijdsperiode, dat is de periode die is begonnen met de uitstorting van de Heilige Geest. Dat is echter een vergissing. Nieuwere vertalingen gebruiken woorden als de uitdeling van de genade van God (HSV) of “dat God mij de taak heeft toevertrouwd om de genade door te geven” (NBV). Dit verwijst naar een verantwoordelijkheid die de Heere aan Paulus heeft gegeven, niet naar een bepaalde tijdsperiode.

De mensen die spreken over bedelingen zien terecht dat er verschillende perioden in de Bijbel voorkomen en dat mensen in eerdere perioden niet het volledige begrip hebben dat mensen later hebben, vooral na de komst van onze Heere Jezus Christus. Ze begrijpen ook terecht dat God niet altijd dezelfde bevelen voor alle mensen heeft. Zo hebben we bijvoorbeeld geen boom waarvan de vrucht voor ons verboden is; en we slachten geen schapen in de kerk om aan de Heere te offeren.

Vervulling in Christus

Toch wordt het belang hiervan soms te veel benadrukt, wat leidt tot de volgende fouten:

  • Geloven dat het Oude Testament over de wet gaat, terwijl het Nieuwe Testament over de genade gaat. Maar de gelovigen in het Oude Testament werden gered door genade, net zoals wij (zie Romeinen 4). En we zijn niet zonder wet, maar onder de wet van Christus (1 Korintiërs 9:21).
  • Geloven dat grote delen van de Bijbel voor ons niet relevant zijn. Als gevolg daarvan benadrukken zij het belang van Israël. Dispensationalisten geloven dat veel profetieën voor Israël zijn en daarom geen betekenis hebben voor de kerk; dat veel profetieën gaan over wat er zal gebeuren na de wederkomst van Christus en daarom niet direct op ons van toepassing zijn; zelfs dat delen van de evangeliën (bijv. de Bergrede, Mattheüs 5-7) niet op ons van toepassing zijn omdat de Heilige Geest nog niet was gekomen. Maar we moeten erop vertrouwen dat de hele Bijbel Gods Woord voor ons is, dat nuttig is  om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid (2 Timotheüs 3:16).
  • Geloven dat de oudtestamentische gelovigen een beperkt begrip en ervaring van God hadden. Hoewel het waar is dat zij Gods volledige openbaring in Jezus Christus misten, zou alleen al het lezen van de Psalmen ons moeten overtuigen van de diepgang van het geloof en de ervaring met God die de Oudtestamentische gelovigen hadden.

Het is belangrijk om te begrijpen hoe God in de geschiedenis heeft gewerkt en hoe Hij alles heeft gepland om in Christus vervuld te worden. Maar de theorie van het dispensationalisme doet meer kwaad dan goed als we willen groeien in dat begrip.

Deel artikel

Share on facebook
Share on twitter
Share on telegram
Share on whatsapp
Share on email