Wat betekent het dat Jezus “de Zoon van David” is?

“Toen begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij! En velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!” (Marcus 10:47-48)

Jezus op weg naar Jeruzalem

Vlak voor zijn dood reisde Jezus naar Jeruzalem. Op dat moment waren er veel andere mensen op weg naar Jeruzalem om het Pesachfeest bij te wonen. Volgens het Evangelie van Marcus bevond Jezus zich midden in een grote menigte die langzaam richting de stad trok (Marcus 10:1). Tijdens hun reis passeerden ze de stad Jericho. Aan de rand van die stad probeerde een blinde man de aandacht van Jezus te trekken met de uitroep: “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!” (Lucas 18:35). Volgens het Evangelie van Marcus (10:46) troffen ze de blinde man toen ze Jericho verlieten. Bovendien waren er volgens het Evangelie van Matteüs (20:29-30) twee blinde mannen. Hoe dan ook, veel mensen ergerden zich aan het geschreeuw en zeiden tegen de blinde dat hij zijn mond moest houden. Dit artikel probeert uit te leggen wat de menigte gedacht kan hebben bij het horen van de woorden ‘Jezus Zoon van David’.

Bijbelverzen waarin Jezus de Zoon van David wordt genoemd

Mattheüs 1:1; 9:27; 12:23; 15:22; 20:30-31; 21:9; 21:15; 22:42.

Markus 10:47-48.

Lukas 1:32; 18:38-39.

De Hebreeuwse uitdrukking ‘zoon van’

De uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ geeft aan dat er een familierelatie bestond tussen Koning David en Jezus. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat David de biologische vader van Jezus was. Het Evangelie van Matteüs (1:6-16) maakt duidelijk dat Jezus van David afstamde via Jozef, de echtgenoot van Maria, Jezus’ moeder. Maar toch waren Jezus en David zo’n 25 generaties van elkaar gescheiden over een periode van ongeveer duizend jaar.
In het Hebreeuws kan de uitdrukking ‘zoon van’ verwijzen naar familieverbanden over vele generaties. De priesters in de tempel in Jeruzalem konden bijvoorbeeld ‘zonen van Aäron’ worden genoemd (2 Kronieken 13:9), hoewel Aäron, de broer van Mozes, honderden jaren eerder was overleden. Op een vergelijkbare manier konden sommige Levieten ‘de zonen van Korach’ worden genoemd (Psalm 42:1) en anderen ‘de zonen van Asaf’ (2 Kronieken 35:15; Ezra 3:10), hoewel hun gemeenschappelijke voorouder misschien al eeuwen eerder leefde (Numeri 26:9-11; 1 Kronieken 15:16-17).
Op dezelfde manier zouden de opeenvolgende koningen in Jeruzalem ‘zonen van David’ genoemd kunnen worden, verwijzend naar hun gemeenschappelijke voorvader koning David, die in een ver verleden Jeruzalem tot zijn hoofdstad had gemaakt (2 Kronieken 23:3).

In het Hebreeuws kan de uitdrukking ‘zoon van’ ook aangeven dat een persoon tot een bepaalde groep mensen behoort die geen familie hoeft te zijn. Dus de algemene uitdrukking ‘de zonen van Israël’ verwijst naar alle Israëlieten, familie of niet. De uitdrukking ‘de zoon van de vreemdeling’ kan verwijzen naar elke persoon in de categorie ‘vreemdeling’ (Jesaja 56:3). En als Amos zegt “Ik ben geen profeet en ook geen zoon van een profeet”, dan zegt hij niet alleen dat hij niet uit een profetenfamilie komt, maar ook dat hij niet tot die categorie behoort (Amos 7:14). Soms vermijden Bijbelvertalingen de uitdrukkingen ‘zonen van’ of ‘zoon van’, omdat het geen natuurlijk Nederlands is. De uitdrukking ‘de zonen van Israël’ kan bijvoorbeeld vertaald worden als ‘het volk Israël’, de uitdrukking ‘de zoon van de vreemdeling’ als ‘de vreemdeling’, en de Hebreeuwse uitdrukking ‘de zonen van de bruidskamer’ als ‘de bruiloftsgasten’ (Matteüs 9:15). Hiermee werden de vrienden van de bruidegom bedoeld die belast waren met de taak om de bruidskamer voor te bereiden voor de bruid terwijl zij wachtte op de komst van de bruidegom.
De uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ verwijst niet alleen naar een familieband tussen Jezus en David. Het suggereert ook dat Jezus in de traditie staat van de koningen van Jeruzalem. En daar werd de menigte in Jericho nerveus van. Wat als de Romeinse bezettingsmacht in Jeruzalem te horen kreeg dat er een grote menigte op weg was naar de stad en dat onder hen zich iemand bevond met de titel Zoon van David? Hoe zouden de Romeinse autoriteiten reageren?

27 generaties
van David tot Jezus

Mattheüs 1:6-16
1. David,
2. Rehabeam,
3. Abijah,
4. Asa,
5. Josafat,
6. Joram,
7. Uzzia,
8. Jotham,
9. Achaz,
10. Hizkia,
11. Manasse,
12. Amon,
13. Josia,
14. Jechonja
15. Sealtiël,
16. Zerubbabel,
17. Abihud,
18. Eljakim,
19. Azor,
20. Zadok,
21. Akim,
22. Elihud,
23. Eleazar,
24. Matthan,
25. Jakob,
26. Jozef,
de echtgenoot van Maria,
de moeder van Jezus.

De belofte van een nieuwe koning

Lang voordat Jezus Jeruzalem bezocht, was er een einde gekomen aan het Davidische koningschap. De stad werd verwoest en veel mensen, waaronder de koninklijke familie, werden gedwongen om in ballingschap te gaan. De stad met het omliggende gebied, Juda genaamd, werd gereduceerd tot een kleine provincie die afhankelijk was van de grote rijken die er achtereenvolgens de dienst uitmaakten. Uiteindelijk werd het een deel van het Romeinse Rijk.
Verschillende profeten voorzagen het einde van de ballingschap. Het verbannen volk zou terugkeren. Sommigen kwamen inderdaad terug (Ezra 2 en Ezra 7). En in lijn met een oude belofte (2 Samuël 7:12-16) voorspelden de profeten dat het koninkrijk van David door één van zijn nakomelingen hersteld zou worden (Jesaja 9:5-6; Jeremia 30:18-21; Micha 5:1-4 en Zacharia 6:12-13).
Die belofte wachtte op vervulling. In de tijd van Jezus waren er sterke verwachtingen dat de herleving van het koninkrijk eraan zat te komen (Lucas 2:25-26).
Het was een blinde die ‘zag’ dat de belofte werd vervuld (“… Jezus, Zoon van David…”), terwijl anderen alleen maar bang waren voor de gevolgen als iemand aanspraak zou maken op de troon van koning David.

De Romeinse vergissing tijdens het Pesachfeest

Uit niet-bijbelse bronnen weten we dat het Romeinse Rijk in het jaar 63 voor Christus het gebied met de naam Juda annexeerde. Ze doopten het om tot ‘Judea’. Voor een korte periode, tijdens het bewind van koning Herodes de Grote, stonden de Romeinse autoriteiten Judea een zekere mate van onafhankelijkheid toe. Na de dood van Herodes, kort na de geboorte van Jezus (Matteüs 2:19), braken er rellen uit in Jeruzalem tijdens het Pesachfeest. Het Romeinse leger reageerde door ongeveer 3000 mensen in het tempelgebied te doden. De relatie tussen de Romeinse autoriteiten en de Joden bleef gespannen totdat er in het jaar 67 na Christus een massale Joodse opstand uitbrak. Daarop verwoestte het Romeinse leger Jeruzalem en de tempel.
Tijdens deze periode van toenemende spanning tussen de Joden en de Romeinse bezetters liep Jezus rond in Galilea, Samaria en Judea. Uit angst voor repercussies van het Romeinse leger waren de Joden rond Jezus erg voorzichtig met alles wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als oproer of rebellie. Het roepen van “Jezus, Zoon van David!” kon gemakkelijk worden gezien als het provoceren van de Romeinse autoriteiten, en daarom moest de blinde zo snel mogelijk het zwijgen worden opgelegd.
Toch waren de blinden in Jericho degenen met een betere kijk op Jezus toen Hij op weg was naar Jeruzalem. En de Romeinse autoriteiten waren degenen die Hem een paar dagen later in Jeruzalem kruisigden.

Conclusie

In dit artikel hebben we drie aspecten van de uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ belicht.

  • Ten eerste impliceert de uitdrukking dat David een voorouder van Jezus was, niet noodzakelijkerwijs zijn biologische vader.
  • Ten tweede impliceert de uitdrukking dat Jezus een rechtmatige koning in Jeruzalem genoemd kan worden.
  • Ten derde impliceert de uitdrukking dat Jezus de profetie vervulde dat God een nieuwe Davidische koning zou sturen om zijn Koninkrijk te herstellen.

De mensen rond Jezus wilden de uitdrukking niet gebruiken, bang voor wat de Romeinse bezetters zouden denken van een nieuwe koning in Jeruzalem. Maar de blinden schreeuwden nog harder toen ze door hadden wie Jezus echt was.
Wat denk jij? Wat is jouw reactie?

📁 ,
Wat betekent het dat Jezus “de Zoon van David” is?

“Toen begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij! En velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!” (Marcus 10:47-48)

Jezus op weg naar Jeruzalem

Vlak voor zijn dood reisde Jezus naar Jeruzalem. Op dat moment waren er veel andere mensen op weg naar Jeruzalem om het Pesachfeest bij te wonen. Volgens het Evangelie van Marcus bevond Jezus zich midden in een grote menigte die langzaam richting de stad trok (Marcus 10:1). Tijdens hun reis passeerden ze de stad Jericho. Aan de rand van die stad probeerde een blinde man de aandacht van Jezus te trekken met de uitroep: “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!” (Lucas 18:35). Volgens het Evangelie van Marcus (10:46) troffen ze de blinde man toen ze Jericho verlieten. Bovendien waren er volgens het Evangelie van Matteüs (20:29-30) twee blinde mannen. Hoe dan ook, veel mensen ergerden zich aan het geschreeuw en zeiden tegen de blinde dat hij zijn mond moest houden. Dit artikel probeert uit te leggen wat de menigte gedacht kan hebben bij het horen van de woorden ‘Jezus Zoon van David’.

Bijbelverzen waarin Jezus de Zoon van David wordt genoemd

Mattheüs 1:1; 9:27; 12:23; 15:22; 20:30-31; 21:9; 21:15; 22:42.

Markus 10:47-48.

Lukas 1:32; 18:38-39.

De Hebreeuwse uitdrukking ‘zoon van’

De uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ geeft aan dat er een familierelatie bestond tussen Koning David en Jezus. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat David de biologische vader van Jezus was. Het Evangelie van Matteüs (1:6-16) maakt duidelijk dat Jezus van David afstamde via Jozef, de echtgenoot van Maria, Jezus’ moeder. Maar toch waren Jezus en David zo’n 25 generaties van elkaar gescheiden over een periode van ongeveer duizend jaar.
In het Hebreeuws kan de uitdrukking ‘zoon van’ verwijzen naar familieverbanden over vele generaties. De priesters in de tempel in Jeruzalem konden bijvoorbeeld ‘zonen van Aäron’ worden genoemd (2 Kronieken 13:9), hoewel Aäron, de broer van Mozes, honderden jaren eerder was overleden. Op een vergelijkbare manier konden sommige Levieten ‘de zonen van Korach’ worden genoemd (Psalm 42:1) en anderen ‘de zonen van Asaf’ (2 Kronieken 35:15; Ezra 3:10), hoewel hun gemeenschappelijke voorouder misschien al eeuwen eerder leefde (Numeri 26:9-11; 1 Kronieken 15:16-17).
Op dezelfde manier zouden de opeenvolgende koningen in Jeruzalem ‘zonen van David’ genoemd kunnen worden, verwijzend naar hun gemeenschappelijke voorvader koning David, die in een ver verleden Jeruzalem tot zijn hoofdstad had gemaakt (2 Kronieken 23:3).

In het Hebreeuws kan de uitdrukking ‘zoon van’ ook aangeven dat een persoon tot een bepaalde groep mensen behoort die geen familie hoeft te zijn. Dus de algemene uitdrukking ‘de zonen van Israël’ verwijst naar alle Israëlieten, familie of niet. De uitdrukking ‘de zoon van de vreemdeling’ kan verwijzen naar elke persoon in de categorie ‘vreemdeling’ (Jesaja 56:3). En als Amos zegt “Ik ben geen profeet en ook geen zoon van een profeet”, dan zegt hij niet alleen dat hij niet uit een profetenfamilie komt, maar ook dat hij niet tot die categorie behoort (Amos 7:14). Soms vermijden Bijbelvertalingen de uitdrukkingen ‘zonen van’ of ‘zoon van’, omdat het geen natuurlijk Nederlands is. De uitdrukking ‘de zonen van Israël’ kan bijvoorbeeld vertaald worden als ‘het volk Israël’, de uitdrukking ‘de zoon van de vreemdeling’ als ‘de vreemdeling’, en de Hebreeuwse uitdrukking ‘de zonen van de bruidskamer’ als ‘de bruiloftsgasten’ (Matteüs 9:15). Hiermee werden de vrienden van de bruidegom bedoeld die belast waren met de taak om de bruidskamer voor te bereiden voor de bruid terwijl zij wachtte op de komst van de bruidegom.
De uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ verwijst niet alleen naar een familieband tussen Jezus en David. Het suggereert ook dat Jezus in de traditie staat van de koningen van Jeruzalem. En daar werd de menigte in Jericho nerveus van. Wat als de Romeinse bezettingsmacht in Jeruzalem te horen kreeg dat er een grote menigte op weg was naar de stad en dat onder hen zich iemand bevond met de titel Zoon van David? Hoe zouden de Romeinse autoriteiten reageren?

27 generaties
van David tot Jezus

Mattheüs 1:6-16
1. David,
2. Rehabeam,
3. Abijah,
4. Asa,
5. Josafat,
6. Joram,
7. Uzzia,
8. Jotham,
9. Achaz,
10. Hizkia,
11. Manasse,
12. Amon,
13. Josia,
14. Jechonja
15. Sealtiël,
16. Zerubbabel,
17. Abihud,
18. Eljakim,
19. Azor,
20. Zadok,
21. Akim,
22. Elihud,
23. Eleazar,
24. Matthan,
25. Jakob,
26. Jozef,
de echtgenoot van Maria,
de moeder van Jezus.

De belofte van een nieuwe koning

Lang voordat Jezus Jeruzalem bezocht, was er een einde gekomen aan het Davidische koningschap. De stad werd verwoest en veel mensen, waaronder de koninklijke familie, werden gedwongen om in ballingschap te gaan. De stad met het omliggende gebied, Juda genaamd, werd gereduceerd tot een kleine provincie die afhankelijk was van de grote rijken die er achtereenvolgens de dienst uitmaakten. Uiteindelijk werd het een deel van het Romeinse Rijk.
Verschillende profeten voorzagen het einde van de ballingschap. Het verbannen volk zou terugkeren. Sommigen kwamen inderdaad terug (Ezra 2 en Ezra 7). En in lijn met een oude belofte (2 Samuël 7:12-16) voorspelden de profeten dat het koninkrijk van David door één van zijn nakomelingen hersteld zou worden (Jesaja 9:5-6; Jeremia 30:18-21; Micha 5:1-4 en Zacharia 6:12-13).
Die belofte wachtte op vervulling. In de tijd van Jezus waren er sterke verwachtingen dat de herleving van het koninkrijk eraan zat te komen (Lucas 2:25-26).
Het was een blinde die ‘zag’ dat de belofte werd vervuld (“… Jezus, Zoon van David…”), terwijl anderen alleen maar bang waren voor de gevolgen als iemand aanspraak zou maken op de troon van koning David.

De Romeinse vergissing tijdens het Pesachfeest

Uit niet-bijbelse bronnen weten we dat het Romeinse Rijk in het jaar 63 voor Christus het gebied met de naam Juda annexeerde. Ze doopten het om tot ‘Judea’. Voor een korte periode, tijdens het bewind van koning Herodes de Grote, stonden de Romeinse autoriteiten Judea een zekere mate van onafhankelijkheid toe. Na de dood van Herodes, kort na de geboorte van Jezus (Matteüs 2:19), braken er rellen uit in Jeruzalem tijdens het Pesachfeest. Het Romeinse leger reageerde door ongeveer 3000 mensen in het tempelgebied te doden. De relatie tussen de Romeinse autoriteiten en de Joden bleef gespannen totdat er in het jaar 67 na Christus een massale Joodse opstand uitbrak. Daarop verwoestte het Romeinse leger Jeruzalem en de tempel.
Tijdens deze periode van toenemende spanning tussen de Joden en de Romeinse bezetters liep Jezus rond in Galilea, Samaria en Judea. Uit angst voor repercussies van het Romeinse leger waren de Joden rond Jezus erg voorzichtig met alles wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als oproer of rebellie. Het roepen van “Jezus, Zoon van David!” kon gemakkelijk worden gezien als het provoceren van de Romeinse autoriteiten, en daarom moest de blinde zo snel mogelijk het zwijgen worden opgelegd.
Toch waren de blinden in Jericho degenen met een betere kijk op Jezus toen Hij op weg was naar Jeruzalem. En de Romeinse autoriteiten waren degenen die Hem een paar dagen later in Jeruzalem kruisigden.

Conclusie

In dit artikel hebben we drie aspecten van de uitdrukking ‘Jezus Zoon van David’ belicht.

  • Ten eerste impliceert de uitdrukking dat David een voorouder van Jezus was, niet noodzakelijkerwijs zijn biologische vader.
  • Ten tweede impliceert de uitdrukking dat Jezus een rechtmatige koning in Jeruzalem genoemd kan worden.
  • Ten derde impliceert de uitdrukking dat Jezus de profetie vervulde dat God een nieuwe Davidische koning zou sturen om zijn Koninkrijk te herstellen.

De mensen rond Jezus wilden de uitdrukking niet gebruiken, bang voor wat de Romeinse bezetters zouden denken van een nieuwe koning in Jeruzalem. Maar de blinden schreeuwden nog harder toen ze door hadden wie Jezus echt was.
Wat denk jij? Wat is jouw reactie?

📁 ,