Koning van Israël en Koning over de hele aarde
In het Oude Testament (het oudste gedeelte van de Bijbel dat vooral over het volk Israël gaat), wordt God vaak “Koning” genoemd. Laat me een paar voorbeelden citeren:
- “HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.” (Psalm 5:2-3) - “Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!” (Psalm 44:5) - “Toch is God mijn Koning van oudsher,
Die heil brengt hier op aarde.” (Psalm 74:12)
In deze Psalmen wordt God te hulp geroepen. Omdat Hij Israëls Koning is, vragen ze Hem om verlossing van hun vijanden of van andere problemen. De Heere God is echter niet alleen maar de Koning van Israël, zoals andere volken ook hun eigen koningen hebben. “Want de HEERE, de Allerhoogste, is ontzagwekkend, een groot Koning over de hele aarde.” (Psalm 47:3) Omdat God de aarde geschapen heeft, inclusief ons mensen, is Hij de rechtmatige Heerser over alle volken. Helaas erkennen niet alle mensen Hem als zodanig.
Jezus als Koning van de Joden en Koning van het universum
Toen Jezus’ geboorte werd aangekondigd, zei de engel tegen Maria: “En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de Naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.” (Lukas 1:31-33) “Het huis van Jakob” is hier een synoniem voor het volk Israël, dat van Jakob afstamde.
Toen Jezus volwassen was geworden, erkenden sommige mensen Hem inderdaad als Koning van de Joden. Anderen bespotten Hem om deze bewering, omdat Hij geen politieke macht had. Nog weer anderen beschuldigden Hem van opstand tegen de Romeinse overheid. Dat bleek ook toen Jezus gekruisigd werd: “En zij brachten boven Zijn hoofd een opschrift aan met de beschuldiging tegen Hem: DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN.” (Mattheüs 27:37, zie ook Markus 15:26, Lukas 23:38, Johannes 19:18). Het Joodse volk als geheel verwierp Jezus als hun Koning. Ze lieten Hem doden.
Toch is dit niet het eind van het verhaal. Integendeel! Jezus overwon de dood. Hij stond op uit het graf. Door te sterven en weer uit de dood op te staan, overwon Hij ook Zijn grootste vijand, satan. Die heeft deze wereld opgeëist, omdat hij de mensheid tot opstand tegen haar Schepper heeft verleid. Maar Jezus heeft hem verslagen. Dat zal steeds meer zichtbaar worden in de geschiedenis. “Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan. Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.” (1 Korinthe 15:24-25) Jezus Christus is dus niet alleen de Koning van de Joden (die zij afgewezen hebben), maar Koning over alle volken.
Wie is Koning: God of Jezus?
In de eerste alinea’s van dit artikel zei ik dat God Koning is over alle volken. Daarna citeerde ik enkele verzen die deze titel op Jezus betrokken. Dat lijkt in eerste instantie een tegenspraak. Maar het is belangrijk om te bedenken dat Jezus Christus ook God is. Er is geen echt betekenisvol verschil tussen de uitspraak “God is Koning” en “Jezus is Koning.” Dat wordt al zichtbaar in de verzen uit 1 Korinthe 15, die zeggen dat Jezus het koningschap aan God de Vader zal overgeven.
Laat me nog een paar verzen citeren die dit laten zien:
- “Genade zij u en vrede, van Hem Die is en Die was en Die komt, en van de zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn, en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen der aarde.” (Openbaring 1:4-5)
- “En er klonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: De koninkrijken van de wereld zijn van onze Heere en van Zijn Christus geworden, en Hij zal Koning zijn in alle eeuwigheid.” (Openbaring 11:15)
- “Zij zullen oorlog voeren tegen het Lam [= Jezus], maar het Lam – want Heere der heren is Hij en Koning der koningen – zal hen overwinnen, en zij die samen met Hem zijn, geroepenen, uitverkorenen en gelovigen.” (Openbaring 17:14)
- “De Koning nu der eeuwen, de onvergankelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Timotheüs 1:17)
Wat betekent dat allemaal voor ons leven hier en nu?
God en/of Jezus als Koning erkennen is niet zomaar een abstracte geloofsbelijdenis. Het betekent dat je Hem als autoriteit over je leven accepteert. Hij heeft het uiteindelijk voor het zeggen — niet jij zelf of andere mensen. De Heere Jezus zegt daarover in Johannes 14:21, “Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.”
Voor veel christenen is dat een moeilijk leerproces. Het is soms lastig om te ontdekken wat God precies wil (hoewel de basis heel duidelijk in de Bijbel beschreven staat: God liefhebben boven alles en je medemens als jezelf). Maar het is vooral moeilijk om Gods wil te aanvaarden en uit te voeren, want die gaat soms lijnrecht in tegen onze eigen wensen en verlangens. Deze worsteling zien we bijvoorbeeld beschreven in Romeinen 7:14-26. Paulus schrijft hoe hij ernaar verlangt om het goede te doen, maar toch telkens weer valt voor zonde en kwaad. Hij spoort zijn lezers aan: “Geef niet toe aan uw begeerten. Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar juist in dienst van God, als levenden die uit de dood zijn opgewekt. Stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid.” (Romeinen 6:12-13, NBV21)
Deze bewuste keuze om Gods wil als maatgevend te aanvaarden, stuit niet alleen in ons eigen hart op weerstand. Het past ook niet goed bij onze huidige cultuur. Daarin wordt juist veel waarde gehecht aan keuzevrijheid en het volgen van je gevoel. Christen zijn is in die zin tegendraads, en dat kan leiden tot onbegrip en irritatie. Maar het kan ook een opening zijn om iets over je geloof te delen: Waarom vind jij Gods wil zo belangrijk? Waarom kies jij er voor om Hem de leiding over je leven te geven?
Onze houding tegenover aardse koningen / autoriteiten
Gods Koninkrijk krijgt steeds meer vorm. Uiteindelijk zal Hij een nieuwe aarde scheppen, waarop Hij de volledige heerschappij heeft in alle opzichten. Tot die tijd leven Zijn volgelingen in aardse koninkrijken (of democratieën, of andere regeringsstructuren). Hiervoor geeft de Bijbel ons een duidelijk en praktisch advies: “Onderwerp u dan omwille van de Heere aan alle menselijke orde, hetzij aan de koning, als hoogste machthebber, hetzij aan de stadhouders, als mensen die door hem gezonden worden tot straf van de kwaaddoeners, maar tot lof van hen die goeddoen.” (1 Petrus 2:13; zie ook Romeinen 13:1-2) God als je koning hebben betekent dus niet dat je menselijk bestuur negeert. Het betekent dat je de Heere God erkent als de ultieme, hoogste Heerser die je boven iedereen gehoorzaamt. Als menselijke autoriteiten ons opdragen iets te doen dat tegen Gods geboden ingaat, dan geldt: “Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.” (Handelingen 5:29) Meer gedachten over dit thema vind je in ons artikel “Hoe moeten we omgaan met een slechte regering?”
Wat zijn de gevolgen als je God niet als Koning accepteert?
God heeft recht op jouw leven, want Hij heeft je Zelf gemaakt. Je kunt de Heere Jezus dan ook niet als Verlosser aannemen zonder Hem de zeggenschap over je leven te geven. Als je God en Jezus afwijst als Koning over je leven, heeft dat afschuwelijke gevolgen. Jezus beschrijft dat in een gelijkenis, een verhaal dat iets duidelijk maakt over Zijn Koninkrijk.
“Een zeker mens van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk in ontvangst te nemen en daarna terug te keren. En hij riep zijn tien dienaren, gaf hun tien ponden en zei tegen hen: Doe daarmee zaken totdat ik terugkom. En zijn burgers haatten hem en stuurden hem een gezantschap na om te zeggen: Wij willen niet dat deze man koning over ons zal zijn. En het gebeurde, toen hij teruggekomen was, nadat hij het koninkrijk in ontvangst had genomen, dat hij zei dat men die dienaren aan wie hij het geld gegeven had, bij hem zou roepen om te weten wat ieder met het zakendoen aan winst had gemaakt.” (Lukas 19:12-15)
Nadat de koning met zijn knechten heeft gesproken, velt hij zijn oordeel over de burgers die hem hebben afgewezen.
“Maar deze vijanden van mij, die niet wilden dat ik koning over hen zou zijn, breng ze hier en sla ze hier voor mijn ogen dood.” (Lukas 19:27)
Dit is “slechts” een gelijkenis. We kunnen niet elk detail uit het verhaal letterlijk toepassen op Jezus’ koningschap. Maar de waarschuwende boodschap is duidelijk: als je Jezus afwijst als Koning, loopt het slecht met je af. Neem jij die waarschuwing serieus?

