Waarom aanbidden christenen Jezus als God?

Why do Christians worhship Jesus as God?

Dit is een heel belangrijke vraag. Als Jezus God is dan is aanbidding van Hem juist, maar als Hij geen God is, dan is het afgoderij. Dan breken we Gods wet om alleen Hem te aanbidden (Exodus 20:3; Deuteronomium 5:7). Leert de Bijbel ons echt dat Jezus God is en aanbeden moet worden? Om kort te gaan, we moeten één passage van het Oude Testament in overweging nemen en dan gaan we kijken naar het Evangelie dat over Jezus’ leven bericht, naar het boek Handelingen en sommige Nieuwtestamentische brieven en ten slotte naar Openbaring. Het doel is om aan te tonen dat de hele Bijbel (Oude en Nieuwe Testament) aantoont dat Jezus echt God is en dat Hij daarom aanbeden moet worden.

Oude Testament

Jesaja 9:5-6 zegt: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Aan de uitbreiding van deze heerschappij en aan de vrede zal geen einde komen op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het te grondvesten en het te ondersteunen door recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.

De achtergrond van deze verzen is een belofte die God deed aan Koning David in 2 Samuel 7. God beloofde aan David een eeuwig koningschap. Op dat tijdstip in Israels historie is het koningschap in verval en Israel wordt uit hun eigen land naar Assyrië verbannen (Jesaja 9:1). In hoofdstuk 9 belooft God een ommekeer, een herstel, dat er juist uitbreiding en grote vreugde zal komen in plaats van verval (Jesaja 9:3), en dat hun vijanden verslagen zullen worden (Jesaja 9:4-5).

Maar hoe zal dat mogelijk zijn? Door de geboorte van een kind, een zoon (Jesaja 9:6), die zal regeren en “sterke God” genoemd worden. Dit kind zal een nakomeling van David zijn. Daarom zal Hij regeren op Davids troon en Hij zal voor eeuwig heerschappij voeren – een eeuwig Koning (Jesaja 9:7). Dus God belooft een zoon die eeuwig zal regeren op Davids troon en “sterke God” genoemd zal worden!

Hier is het ook belangrijk om op te merken dat Jezus een nakomeling van David is (Mattheüs 1:1-17). Klaarblijkelijk is Jezus dit “kind dat geboren is”, deze “zoon die gegeven is” en die sterke God, speciaal als je bedenkt dat het Koningsthema in de Evangeliën een grote rol speelt (bijvoorbeeld in Mattheüs 2:2; 21:5; 26:29; 26:37; 26:42; 27:42; Johannes 8:33; 18:37; 18:39; 19:3; 19:12; 19:14-15; 19:19; 19:21).

Nieuwe Testament

Synoptische Evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas)
Elk van de synoptische evangeliën vertelt over Jezus’ doop. Bij Zijn doop werd een stem uit de hemel gehoord (God sprak): “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!” (Mattheüs 3:17; Markus 1:11; Lukas 3:22).

Dit is ook het getuigenis van de hele evangeliën, bijvoorbeeld Markus 1:1 (hoewel sommige manuscripten de zinsnede “Zoon van God” hier weglaten); Markus 3:11; 5:7; 15:39. In Markus 2:23-3:6, zijn twee aanwijzingen betreffende Jezus en de Sabbat. Jezus zegt in Markus 2:28: “Daarom, de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat”. Met andere woorden, Jezus zegt dat Hij Heer over de Sabbat is, maar in het Oude Testament is het God die de Sabbat geeft en er ook instructie over geeft. Hoe kan Jezus hier claimen dat Hij “Heer van de Sabbat” is, tenzij Hij dezelfde autoriteit heeft als God? Geen wonder dat de Farizeeën Jezus wilden doden voor deze claim (Markus 3:6).

In Mattheüs 16:15 vraagt Jezus Zijn discipelen wat zij denken over Zijn identiteit. Petrus antwoordt: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” In plaats van dit te weerleggen, zegt Jezus tegen Petrus: “Zalig bent u … want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” (Mattheüs 16:17). Jezus bevestigt Petrus’ getuigenis over wie Hij is, als de Zoon van de levende God. Een andere plaats waar wij Jezus’ identiteit duidelijk uitgelegd zien is bij Zijn veroordeling. Want waarom werd Jezus gedood? Volgens Mattheüs 26:63 vraagt de hogepriester aan Jezus: “Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.” En Jezus’ antwoord is: “U hebt het gezegd” (Mattheüs 26:64). Jezus zelf claimt dat Hij Gods Zoon is.

Johannes’ Evangelie
Johannes begint zijn evangelie met de woorden: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God” (Johannes 1:1-2). Vanaf vers 14 is het heel duidelijk dat “het Woord” Jezus Zelf is. Dus in de eerste twee verzen beschrijft Johannes Jezus als “bij God” en zegt hij dat Jezus “God was”, al vanaf het allereerste begin.

In Johannes 1:34 getuigt Johannes de Doper: “Ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Nathaniel getuigt vergelijkbaar in Johannes 1:49. In Johannes 5 geneest Jezus een invalide man op Sabbat, waarna de Joden Hem vervolgen (John 5:16). Jezus antwoordt hen: “‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.’ Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte” (Johannes 5:17-18). Jezus claimde impliciet dat Hij God was, en dat werd duidelijk door de Joden herkend. Daarom wilden ze Hem doden vanwege waargenomen godslastering (vanuit hun gezichtspunt). Dus de Joden zelf getuigden dat Jezus claimde dat Hij God was.

Jezus’ claim dat Hij God is bereikt zijn climax in Johannes 8:58: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.” Toen wilden de Joden Jezus opnieuw stenigen (Johannes 8:59), want wat Jezus had gezegd ergerde hen duidelijk heel erg. Maar waarom? Omdat “Ik Ben” de naam is waarmee God zichzelf openbaart in het Oude Testament. (Exodus 3:14: “God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.”) Dus als Jezus dit over Zichzelf zegt, is het niet verwonderlijk te lezen, dat als Jezus opgestaan is, Thomas tegen Hem zegt “Mijn Heere en mijn God!” Thomas herkent wat Jezus hen over Zichzelf heeft geleerd – dat Hij God is.

Handelingen
We zullen nu een verwijzing in het boek Handelingen bekijken. Saulus achtervolgt de kerk en zet mensen gevangen omdat ze Jezus volgen (Handelingen 9:1-2). Hij gelooft duidelijk niet dat Jezus de Zoon van God is. Maar nadat hij Jezus ontmoet op de weg naar Damascus (Handelingen 9:3-9), begint hij zelf in de synagoges te onderwijzen dat “Jezus is de Zoon van God” (Handelingen 9:20). Dit is duidelijk een dramatische omwenteling in Paulus’ begrip over de identiteit van Jezus.

Nieuwtestamentische Brieven
We zullen kijken naar een sleutelverwijzing over Jezus uit 1 Korinthe 8:6: “Toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.” Hier bevestigt Paulus dat er één God en één Heer is, zoals het Oude Testament ook stelt in Deuteronomium 6:4: “Luister, Israel! De HEERE, onze God, de HEERE is één!” Paulus legt uit dat God onze Vader is, terwijl Jezus Christus Heer is. Dus in dit vers verandert Paulus Deuteronomium 6:4 om Jezus in te sluiten binnen het monotheïsme. Dus hier wordt Jezus opnieuw als goddelijk gezien.

Hebreeën
Het boek Hebreeën als geheel, verheerlijkt Jezus als de majestueuze Zoon. Hij is groter dan Mozes, de oudtestamentische priesters, het priesterschap en alle offers. We kijken even naar hoofdstuk 1. In Hebreeën 1:6 staat: “En wanneer Hij vervolgens de Eerstgeborene in de wereld brengt, zegt Hij: En laten alle engelen van God Hem aanbidden” (wat een aanhaling is uit Deuteronomium 32:43). Het feit dat God Zijn engelen opdraagt om Hem (Jezus) te aanbidden, suggereert sterk dat Jezus goddelijk is en (vanzelfsprekend) aanbeden hoort te worden!

Of bekijk Hebreeën 1:8-9: “Maar tegen de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, bestaat in alle eeuwigheid. De scepter van Uw koninkrijk is een scepter van het recht. U hebt gerechtigheid lief en haat ongerechtigheid. Daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven uw metgezellen” (citaat uit Psalm 45:6-7). Hier zien we dat Jezus direct aangesproken wordt als God en opnieuw dat Hij eeuwig zal regeren (zoals we zagen in Jesaja 9).

Openbaring
In het boek Openbaring zien we de verheerlijkte en verheven Jezus die regeert. In Openbaring 1:8 lezen we: “Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.” En aan het einde van dit boek in Openbaring 22:13 horen we deze zelfde woorden van de lippen van Jezus – zowel God (de Vader) als Jezus zijn eeuwig, het Begin en het Einde.

Deze gelijkstelling tussen de Vader en de Zoon is ook duidelijk te zien in Openbaring hoofdstuk 4 en 5. In hoofdstuk 4 toont Johannes ons Gods troon met vier levende wezens en vierentwintig ouderlingen die God aanbidden (Openbaring 4:6-11). In hoofdstuk 5 verschuift de focus van God naar Jezus, waarbij de levende wezens en de vierentwintig ouderlingen ook Jezus aanbidden (Openbaring 5:9-12). In Openbaring 5:13 ligt de climax als zij zingen: “Aan Hem Die op de troon zit (dus God vgl. hoofdstuk 4), en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid!” Dus beiden, God en Jezus (het Lam) zijn gelijkwaardig om te worden geprezen en aanbeden, omdat zij beiden God zijn.

Conclusie

Dus waarom aanbidden christenen Jezus? Omdat het consistente getuigenis van de hele Bijbel is, dat Jezus inderdaad goddelijk is. Hij is Gods Zoon, de tweede persoon van de Drie-eenheid. Daarom moet Jezus aanbeden worden met God, zoals de levende wezens en de vierentwintig ouderlingen doen in het boek Openbaring.

Deel artikel