“De dienaar dan knielde voor hem neer en zei: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. En de heer van deze dienaar was innerlijk met ontferming bewogen, liet hem gaan en schold hem de schuld kwijt.” (Mattheüs 18: 26-27)
In de vorige aflevering zagen we welke redenen er zijn om te vergeven die nuttig zijn voor jou of ten behoeve van die ander. Maar er is nog een dieperliggende reden te noemen. In de gelijkenis van Mattheüs 18 komen we die tegen. Wanneer we namelijk eerlijk durven te zijn over onszelf en bedenken hoeveel de Heere God ons vergeven heeft, zouden we dan ook niet die ander kunnen vergeven?
Belangrijk punt daarin is wel dat we geloof hechten aan Gods vergeving voor onszelf. Persoonlijk denk ik dat het daaraan schortte bij de ene knecht in Mattheus 18: 21-35. Zijn enorme schuld was hem kwijtgescholden, maar hij leefde met een soort veronderstelling dat hij “gelukkig” niet in de gevangenis terechtkwam. Het leek zijn plan te zijn alsnog alles af te betalen. Om die kans had hij immers gevraagd aan de koning.
Pas als we zelf tot ons door laten dringen dat we echt vergeving hebben ontvangen en dat we in ons hart geen enkele reden hebben om boven de ander te gaan staan, kunnen we een houding van vergevingsgezindheid ontwikkelen.
Ben jij ervan overtuigd dat jou echt vergeving is geschonken door God? Hoe bepaalt dat jouw houding naar anderen?

