Vanuit de diepte tot God roepen

“Verlos mij, o God, want het water is tot aan de ziel gekomen. Ik ben gezonken in bodemloze modder, waarin men niet kan staan. ik ben gekomen in de waterdiepten en de vloed overspoelt mij.” (Psalm 69:1-2)

Psalm 69 begint meteen al heel intens. “Verlos mij, o God, want het water is tot aan de ziel gekomen. Ik ben gezonken in bodemloze modder.” Stel je eens voor dat je wegzakt in een diepe laag blubber. Dan kan je alleen maar dieper wegzakken, steeds dieper in de modder terwijl de paniek toeslaat. Je eruit worstelen gaat niet; daarvoor is de modder te dik. Je met je handen omhoog duwen gaat ook niet; daarvoor is de modder te dun. Iedere beweging laat je dieper wegzakken. Je kunt slechts denken aan het moment waarop je roep om hulp zal verstommen doordat de modder in je mond loopt.

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom de eerste kreet luidt: “Verlos mij, o God”! Als David dat roept zit hij niet letterlijk vast in de modder. Maar dit beschrijft levendig hoe hij zich voelt. Dit is ook al een tijdje aan de gang: “Ik ben moe van mijn roepen, mijn keel is ontstoken; mijn ogen zijn bezweken.”
Misschien herken jij dat gevoel. Er speelt teveel; je kunt het niet meer aan. Het is overweldigend, het overspoelt je en maakt je bang. Je kunt alleen nog maar tot God roepen. En God is er om je te redden!
Als jij het gevoel hebt dat je wegzakt in een bodemloze put, gebruik dan Psalm 69 als roep om verlossing. God hoort je. Hij zal je niet laten wegzinken tot de modder je mond bereikt. Hij zal je er uit trekken voordat jouw roep om hulp verstomt.

Deel artikel