“Zij bedreven rouw, huilden en vastten tot de avond over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van de HEERE en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.” (2 Samuel 1:12)
Koning Saul pleegde zelfmoord in een oorlog tegen de Filistijnen. Ook zijn zonen kwamen om in de strijd. Toen dit nieuws David bereikte, vierde hij geen feest – wat eigenlijk wel logisch zou zijn geweest, omdat Saul hem door het hele land achterna zat en hem probeerde te vermoorden. Sauls dood zou Davids leven een stuk makkelijker maken, en gaf hem de kans om zelf Israëls nieuwe koning te worden. Eindelijk kwam Gods belofte uit!
In plaats van feest te vieren, rouwde David over Saul en zijn zoon Jonathan. Hij schreef zelfs een klaaglied: “Saul en Jonathan, bemind en geliefd in hun leven, in hun dood niet gescheiden, waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen. Dochters van Israël, ween over Saul…” (2 Samuel 2:23-24).
Het was duidelijk dat Saul veel kwaad had gedaan. Maar na zijn dood eerde David hem door de positieve dingen uit zijn leven te benadrukken en uitdrukking te geven aan Israëls rouw over hun koning.
David behandelde zowel Saul als Jonathan met respect, tijdens hun leven en nog sterker na hun dood.
Een klassiek aforisme stelt: “De mortuis nil nisi bonum dicendum est” — “over de doden mag je alleen goed spreken.” Wat vind jij daarvan? Wat vind je van de manier waarop David sprak over koning Saul?

