“Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.” (Galaten 2:20)
In veel landen is het levensgevaarlijk om Christen te zijn. Maar in bovenstaand vers doelt Paulus op iets anders. Hij zegt dat hij met Christus gekruisigd is (Galaten 2:20). En dat geldt niet alleen voor hem; ook tegen medegelovigen zegt hij: “U bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.” (Kolossenzen 3:3)
De mensen aan wie Paulus die schreef, leefden uiteraard nog — en hij zelf ook. Paulus had het dus niet over een fysieke dood. Om te begrijpen wat hij wél bedoelt, moeten we verschillende Bijbelverzen naast elkaar leggen. In Romeinen 6:2 lezen we over gelovigen die “met betrekking tot de zonde gestorven zijn.” In Kolossenzen 3:5 roept Paulus zijn lezers op om alles wat aards is in hun leven, te laten afsterven. In Galaten 5:24 spreekt hij over het kruisigen van de aardse natuur met alle hartstocht en begeerte.
Paulus spreekt dus over twee domeinen: dat van het echte leven met God en dat van het aardse leven dat zodanig is aangetast door de zonde, dat je het eigenlijk geen leven meer kunt noemen. Dat laatste domein moet helemaal verdwijnen. Zonde en verkeerde hartstochten moeten met wortel en tak worden uitgeroeid — gedood, gekruisigd. Pas dan is nieuw leven mogelijk.
Wat vind jij van Paulus’ woordkeus? Past dat bij jouw beleving van het geloof?

