“En Maria zei: ‘Mijn ziel maakt de Heere groot, en mijn geest verheugt zich in mijn Zaligmaker.’” (Lukas 1:46)
Maria was op een voor mensen onmogelijke manier zwanger geworden. Kort na het bezoek van de engel Gabriël (Lukas 1:26) reisde Maria naar haar nicht Elisabeth die zwanger geworden was toen ze dat allang niet meer verwachtte. Tijdens haar bezoek aan Elisabeth ontstond in Maria een loflied voor God.
Evenals Hanna en Zacharias sprak Maria vol verwondering over de grote God die omziet naar mensen die Hem nodig hebben. Maria sprak over God die álles omkeert. Niet aardse rijkdom en macht hebben het bij Gods voor het zeggen. God haalt het zwakke naar voren. Hoogmoedige rijken die denken alles in de hand te hebben, komen met lege handen te staan terwijl armen overvloed zullen kennen. Ook Maria verwees in haar lied aan de trouw van God: Hij sloot een verbond met Abraham, toen nog een eenling. Uit Abraham zou een nageslacht geboren worden dat bestemd was om Gods volk te zijn. En door Abraham zou heel de wereld gezegend worden (Genesis 12: 2-3). Maria kende de geschiedenis van haar volk en de beloften die God hen gegeven had. In haar vreugde zag ze een glimp van wat God aan het doen was. En ze was verwonderd: Hij gebruikt mij in Zijn plan!
Gebed: Vader in de hemel dank U dat U niet kijkt naar ieder die zichzelf op deze aarde grootmaakt. Dank U dat U omziet naar wat klein en zwak is, en naar ieder die Uw hulp nodig heeft. Daarom wil ook ik U groot maken met alles wat in mij is.

