Op veel plaatsen in de Bijbel worden we aangemoedigd om tot God te bidden. Bijvoorbeeld in Filippenzen 4:6, “Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.” En in Johannes 16:24 verzekert Jezus Zijn discipelen: “Bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal worden.”
In Spreuken 28:9 worden we echter gewaarschuwd dat God Zijn oor afkeert van het gebed van mensen die niet naar Zijn wet luisteren. Met andere woorden: we hoeven niet te verwachten dat God onze wensen vervult, als we niet bereid zijn Hem te gehoorzamen. Ook Spreuken 15:29 zegt dat de Heere het gebed van rechtvaardigen verhoort, maar ver blijft van de goddelozen.
Betekent dit dus dat God alleen luistert naar gebeden van mensen die met hun hele hart in Hem geloven en zich aan Zijn geboden houden, terwijl Hij de gebeden van zondaren en ongelovigen afwijst?
God wijst niemand af die oprecht tot Hem bidt
Als God alleen zou luisteren naar een klein groepje mensen dat volledig beantwoordt aan de eisen van gerechtigheid en geloof, zou onze situatie nogal hopeloos zijn. Tenslotte is iedereen “zondaar” van geboorte… Het goede nieuws is dat we onszelf niet hoeven op te poetsen tot we “goed genoeg” zijn om tot God te bidden. We hoeven geen religieuze woorden of rituelen te leren om tegen Hem te kunnen praten. Ons eerste gebed kan heel eenvoudig zijn: “God, ik weet niet of U echt bestaat. Maak Uzelf alstublieft bekend aan mij!”
Jezus zei zelfs expliciet: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.” (Mattheüs 9:13; Markus 2:17; Lukas 5:32). In tegenstelling tot de godsdienstige leiders in die tijd, wilde Jezus omgaan met “slechte mensen”. Hij nodigde hen uit om zich te bekeren van hun zonden en een nieuw leven te beginnen. Dat is niet veranderd toen Jezus deze wereld verliet om terug te gaan naar de hemel. Hij verwelkomt zondaren nog steeds, en juist door gebed kunnen ze tot Hem komen.
Bemoedigende voorbeelden uit de Bijbel
- Lukas 18:9-14 beschrijft een gesprek tussen Jezus en mensen die prat gingen op hun eigen rechtvaardigheid en neerkeken op andere mensen. Jezus wilde hen laten zien dat die houding verkeerd was. Hij vertelde een verhaal over iemand die naar de tempel ging om te bidden. Deze man was een tollenaar — geminacht door zijn medeburgers en vooral door de godsdienstige elite. Hij durfde nauwelijks in de tempel te komen. In een hoekje vroeg hij berouwvol: “O God, wees mij, de zondaar, genadig.” (Lukas 18:13) Jezus zegt dat deze man “gerechtvaardigd” terug naar huis ging. God verwelkomt mensen die zich zo berouwvol tot Hem richten. Hij beantwoordt hun gebeden.
- In Markus 9:14-27 kwam een wanhopige vader bij Jezus met zijn zoon die door een onreine geest werd gekweld. “Als U iets kunt, wees dan met innerlijke ontferming bewogen over ons en help ons.” Jezus verzekerde hem dat alles mogelijk is voor wie gelooft. Daarop riep de vader uit: “Ik geloof, Heere! Kom mijn ongeloof te hulp.” (Markus 9:24) Zijn oprechte gebed werd meteen verhoord; de jongen werd genezen.
- Het boek Kronieken vertelt over een extreem zondige koning, Manasse. Hij vereerde afgoden, ontwijdde de tempel, liet zijn zonen als offer door het vuur gaan, deed aan wichelarij en toverij, en stelde dodenbezweerders en waarzeggers aan. Kortom, “Hij deed zeer veel slechts in de ogen van de HEERE, om Hem tot toorn te verwekken.” (2 Kronieken 33:6) Als straf stuurde God vijanden die hem in ballingschap voerden. Maar in 2 Kronieken 33:12-13 lezen we over een opvallende wending in Manasses leven. “Maar toen Hij hem benauwde, trachtte hij het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen; hij vernederde zich diep voor het aangezicht van de God van zijn vaderen, en bad tot Hem. En Hij liet Zich door hem verbidden, verhoorde zijn smeekbede, en bracht hem terug in Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE God is.”
- In het boek Handelingen lezen we over een jonge man met de naam Saulus, die de kerk van God fel vervolgde en probeerde te verwoesten. Op een dag scheen er een fel licht uit de hemel en een stem uit de hemel vroeg: “Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? […] Ik ben Jezus, Die u vervolgt.” (Handelingen 9:3-5) Saulus was diep geschokt en kon drie dagen lang niets eten of drinken. Hij kwam tot inkeer en begon te bidden — en God hoorde zijn gebed. Hij stelde Saulus aan als zendeling om het Evangelie overal te verkondigen.
Deze voorbeelden laten zien dat God de gebeden verhoort van mensen die door de samenleving zijn afgeschreven, die het gevoel hebben dat hun geloof tekortschiet, en die berucht zijn vanwege hun ernstige zonden en hun verzet tegen Jezus. God luistert ook naar hen.
We moeten echter opmerken dat deze mensen zich nederig opstelden toen zij baden. Hoewel hun geloof en hun levenskeuzes nog niet op orde waren, erkenden zij dat ze Gods hulp nodig hadden. Zo’n houding kan rekenen op Gods genade. Zoals Jakobus 4:6 ons zegt: “God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.”
Een belangrijkere vraag
Als we willen weten of God de gebeden van zondaars en ongelovigen verhoort, richten we ons feitelijk op de verkeerde vraag. De Bijbel maakt immers duidelijk dat zij zich moeten bekeren en tot geloof moeten komen. Of God sommige van hun gebeden verhoort terwijl zij nog geen persoonlijke relatie met Hem hebben, maakt op de lange termijn weinig verschil. Zonder reddend geloof kunnen mensen misschien wel tijdelijke zegeningen ontvangen, maar geen eeuwig leven. Zolang zij niet met hun hemelse Vader verzoend zijn, hebben zij geen vrije toegang tot Zijn troon van genade en zullen zij geen blijvende vrede en vreugde kennen. Daarom klinkt de dringende oproep: “Laat u met God verzoenen!” (2 Korinthe 5:20).
Conclusie
God is soeverein en er zijn geen grenzen aan Zijn macht. We kunnen Hem niet in een hokje plaatsen en zeggen dat Hij dit of dat wel of niet zal doen. Hij weet wat er in het hart van elke man, vrouw en elk kind leeft. Hij hoort de roep van hun hart en kan ervoor kiezen elk gebed te verhoren dat Hij passend acht.
De belangrijkste vraag is echter niet of Hij de gebeden van zondaars en ongelovigen hoort, maar: Heb jij je al bekeerd van je zondige leven en ben je door geloof een kind van God geworden?

