Jozua vertrouwde op God

“En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van hen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren, en zeiden tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een bijzonder goed land. Als de HEERE ons genegen is, zal Hij ons in dat land brengen en zal Hij het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing.” (Numeri 14:6-8)

Toen de Israëlieten de grens van Kanaän naderden, stuurde Mozes twaalf mannen om het land te verkennen. Jozua was een van hen. Toen ze terugkwamen, waren ze het er alle twaalf over eens dat het land buitengewoon goed was. Maar de meeste verspieders waren bang voor de inwoners: “Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij” (Numeri 13:31). Toen ze dit hoorden, verloor het volk alle hoop en klaagde dat ze liever in de woestijn waren gestorven.
Slechts twee van de verspieders, Jozua en Kaleb, vertrouwden op God. Zij spoorden het volk aan: “De HEERE is met ons. Wees niet bevreesd voor hen!” Deze twee hadden dezelfde Kanaänieten gezien voor wie de anderen zo bang waren, maar ze vertrouwden erop dat God sterker was. Hij zou de Israëlieten helpen om hun land te veroveren, want dat had Hij beloofd.

Het was bepaald niet gemakkelijk om aan deze waarheid vast te houden. Wat ze van de Kanaänieten hadden gezien, was angstaanjagend. Maar deze mannen bleven standvastig. Ze twijfelden niet aan Gods beloften en gaven niet toe aan de druk van hun collega’s.
Zijn er beloften van God die jij moeilijk kunt geloven, gezien wat je om je heen ziet gebeuren? Wat maakt dat dat moeilijk is?

Deel artikel