Jozua verdedigt zijn volk tegen een aanval

“Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.” (Exodus 17:9)

Op hun reis door de woestijn werden de Israëlieten geconfronteerd met grote uitdagingen. Soms was er gebrek aan water, soms hadden ze dringend voedsel nodig. In Exodus 17 lezen we hoe ze werden aangevallen door Amalek, een vijandig volk. In Deuteronomium 25:17-18 wordt op deze aanval teruggekeken met aanvullende details: “Hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.” Dit was dus een laffe aanval!
Het volk Israël ging in de tegenaanval. Daarbij werkten Mozes en Jozua samen. Ieder hadden ze hun eigen taak. Mozes ging op een uitkijkpunt staan. Daarbij hield hij zijn staf, het middel waardoor hij al veel wonderen had gedaan, in de hand. Ook in deze strijd hadden ze immers Gods hulp nodig!

Tegelijkertijd moest Jozua mannen verzamelen om te vechten. Het werd een zware strijd die de hele dag duurde, maar uiteindelijk werd Amalek overwonnen. De Israëlieten konden weer veilig verder reizen.
We zien Jozua in deze geschiedenis optreden als militair aanvoerder. Hij ging het gevecht aan om zijn volk te verdedigen. Dat is één van de taken van een leider: je mensen beschermen tegen aanvallen, soms met gevaar voor eigen leven.
Zijn er mensen in jouw leven voor wie jij verantwoordelijk bent en die je indien nodig zou verdedigen?

Deel artikel