“En Hij zei tegen hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?” (Lukas 2:49)
De ouders van Jezus reisden elk jaar voor het feest van het Pascha naar Jeruzalem. Daar zouden zij naar de tempel gaan om het Pascha te vieren.
Wanneer de jongens de leeftijd van twaalf jaar bereikten gingen ze met hun ouders mee op reis om samen met familie en kennissen de tempel in Jeruzalem te bezoeken voor dit belangrijke moment: de viering van het Pesach, het feest waarop Israëlieten herdachten dat het volk van Israël uit Egypte werd bevrijd.
De paaslammeren werden geslacht en gegeten. Het bloed heeft gevloeid.
Na het einde van deze viering ging het gezelschap weer terug naar huis.
Ook Jozef en Maria gingen op weg naar Nazareth, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter.
Zijn ouders dachten dat Hij meeliep met andere mensen die ook naar huis terugkeerden.
Zo reisden ze een dag en zochten Hem intussen bij familie en kennissen.
Maar ze vonden Hem niet. En waren erg ongerust! Ze gingen terug naar Jeruzalem om Jezus te zoeken.
Na drie dagen vonden ze Hem in de tempel. Hij zat daar tussen de wetgeleerden. Hij luisterde naar hen en stelde vragen.
De mensen die Hem hoorden, waren verbaasd hoe verstandig Hij was. En over de antwoorden die Hij gaf.
Toen Jozef en Maria Hem zagen, stonden zij versteld, en Zijn moeder zei tegen Hem: Kind, hoe kun je zoiets doen? Je vader en ik hebben je overal gezocht, we waren zó ongerust!
En Hij zei tegen hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?
Jozef en Maria begrepen niet wat Jezus bedoelde. Maar toen ze naar huis gingen, bewaarde Maria al deze dingen in haar hart.
Wanneer zouden Jozef en Maria zich hebben gerealiseerd dat Jezus sprak over Zijn Vader in de hemel?

