“In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen.” (Richteren 21:25)
Iedereen doet wat hem/haar goed lijkt — dat klinkt als een droom, nietwaar? Geen andere mensen die je vrijheid inperken, maar kunnen doen wat je zelf wilt. Jezelf maximaal ontplooien. Genieten van onbeperkte autonomie. Dat is een aantrekkelijk idee.
Toch blijkt de situatie die dit Bijbelvers beschrijft, verre van ideaal. Het boek Richteren vertelt over moreel verval, maatschappelijke chaos, moordpartijen en burgeroorlog. Aan het eind van het boek legt de schrijver een directe link tussen die problemen en het feit dat iedereen deed wat hem/haar zelf goed leek.
Kennelijk waren de meningen over “wat juist was” nogal verdeeld. De geboden van God raakten in onbruik, en daarmee ontbrak een moreel kompas. Mensen zetten zich niet in voor een gemeenschappelijk doel, maar zochten elk hun eigen voordeel — ook als dat negatief uitpakte voor anderen. Er was immers niemand die hen daarin belemmerde. Feitelijk gold het recht van de sterkste. Zo leidde de onbegrensde autonomie tot allerlei wantoestanden.
De Bijbel beschrijft de Richterentijd als waarschuwend voorbeeld: zo moet het dus niet!
Kan jij concrete voorbeelden noemen uit je eigen leven waarin autonomie goed uitpakt, maar ook situaties waarin het juist niet werkt? Kan jij oplossingen bedenken waardoor autonomie niet tot wantoestanden hoeft te leiden?

