“Vrouw, zie, uw zoon (…) Zie, uw moeder.” (Johannes 19:26-27)
Één discipel is naar de kruisiging gekomen, namelijk de discipel die Jezus liefheeft — Johannes. Jezus ziet ook Zijn moeder staan. Hij doorziet wat een leed zij te dragen heeft. Er gaat een zwaard door haar ziel (Lucas 2:35).
Jezus’ tijd is gekomen, Zijn moeder zal haar zoon verliezen. Evenals in Johannes 2:4 noemt Jezus Maria hier niet “moeder” maar “vrouw”. Maria moet als moeder terugtreden, maar zij mag haar plek innemen als iedere discipel van Jezus. In de familiekring van Jezus draait het niet zozeer om bloedverwantschap als wel om geloofsgemeenschap. Maria moet leren haar Zoon als Heer te zien.
Vervolgens wendt Jezus Zich tot Johannes. Hij krijgt als opdracht Maria voortaan als moeder lief te hebben en te verzorgen. Zij heeft steun nodig in haar verdere aardse leven. Die kan ze naar Jezus’ oordeel niet – of niet voldoende – vinden bij haar andere kinderen, die niet in Jezus als Heiland geloven (Johannes 7:5). Johannes zal haar zoon zijn – tenminste in geestelijke zin en vermoedelijk ook in materiële zin.
De opdracht aan Johannes is naar de regel die Jezus heeft ingesteld: “Wie iemand ontvangt die door Mij gezonden is, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft” (Johannes 13:20). Maria zal in Johannes haar zoon Jezus terugvinden. Daarin schuilt een opdracht voor al Zijn leerlingen. Dat een ander in jou Jezus herkent en terugvindt!

