‘Toen zij in Galilea verbleven, zij Jezus tegen hen: De Zoon de mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen’. (Mattheüs 17:22)
Bij Zijn geboorte op aarde was Jezus door de liefdevolle handen van Maria en Jozef omringd. Later hadden zieke, zwakke, om vergeving en genezing vragende handen zich naar Hem uitgestrekt. Er waren ook handen die met afkeer naar Jezus wezen. Handen die Hem wilden grijpen en afvoeren (Jesaja 53:8).
Met de uitdrukking ‘Zoon van mensen’ of ‘Mensenzoon’ gaf Jezus aan dat Hij helemaal aan ons mensen gelijk is geworden. Op aarde nam Hij de gestalte van een mens aan en was Hij volkomen mens: Zoon van mensen. Hij kwam uit de hemel: Zoon van God. Voor Jezus’ tegenstanders was het godslastering dat Jezus Zich de Zoon van God noemde. Hij paste niet in hun eigen verwachtingen. In de handen van deze tegenstanders zou Jezus overgeleverd worden.
Jezus’ leerlingen werden vooral verdrietig van Zijn woorden (Mattheüs 17:23). Lijden en sterven hoorden niet bij het beeld dat zij van de Messias hadden. Dat Hij ook weer ‘opgewekt zou worden’ leek aan hen voorbij te gaan. Toch bleven Jezus’ volgelingen in Hem geloven, ondanks hun vragen. Dit was de tweede keer dat Jezus Zijn lijden en sterven aankondigde. Hij moest naar Jeruzalem.Reflectie: Overgeleverd in handen van mensen. Denk een paar minuten over deze woorden na. Wat roepen ze in je op en wat wil je Jezus daarover zeggen?

