“De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.” (1 Samuel 24:13)
In een wanhopige poging zelf aan de macht te blijven, probeerde koning Saul steeds opnieuw om David te vermoorden. Tijdens die klopjachten kreeg David twee keer de kans om Saul te doden. Davids vrienden zagen die gelegenheden als een geschenk van God, en wilden in één klap al zijn (en hun) problemen oplossen door zijn vijand te doden. Maar David greep zijn kans niet. Hij stelde: “Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik ooit zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE”.
Ondanks Sauls gedrag was hij nog steeds “de gezalfde van de HEERE”. David voelde dat hij niet het recht had om de koning te doden. In plaats daarvan vertrouwde hij erop dat de Heere Zelf zich op Saul zou wreken en een einde zou maken aan deze situatie.
Als wij de kans krijgen om een situatie van onrecht op te lossen door het recht in eigen hand te nemen, zijn we wellicht geneigd dat te doen zonder ons af te vragen of God zo’n actie goedkeurt. Dit verhaal waarschuwt ons om dat niet te doen, maar juist te vertrouwen op Gods ingrijpen. Hij zegt: “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden.” (Romeinen 12:19)
Als jij oneerlijk behandeld wordt, kan je dat dan aan God overlaten of neem je zelf wraak? Hoe doe je dat?

