“Als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet” (Mattheüs 6:3)
Jezus bespreekt hier het probleem van huichelachtigheid. In Zijn dagen waren er mensen die trouw hun religieuze plichten vervulden, inclusief het financieel ondersteunen van arme mensen, maar met de verkeerde motieven. Ze deden dit “in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden” (vers 1). Jezus maakt duidelijk dat ze het punt volledig missen.
Als je “voor je uit laat bazuinen” als je iets aan de armen geeft, waarderen mensen misschien wat je doet en prijzen ze je gulheid. Maar op die manier “hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is” (vers 1). De Heere wil niet dat je een religieus takenlijstje afvinkt en daarover opschept. Hij wil dat je Hem en andere mensen liefhebt. Dat zou wel moeten leiden tot praktische vrijgevigheid, maar dan als een natuurlijk gevolg van je eigen redding door Gods vrijgevige liefde. Je hoeft er niet mee op te scheppen. “Uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden” (vers 4).
Als jij iets aan de armen geeft, wat is dan jouw motivatie daarvoor?

