“Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God.” (1 Petrus 4:10)
Als laatste aanwijzing over het leven naar Gods wil en het liefhebben van medegelovigen, wijst Petrus op de genadegaven die de Heilige Geest aan iedere christen geeft. Deze gaven verschillen van persoon tot persoon. De één heeft de gave om leiding te geven, een ander om te bemoedigen, een derde om helder onderwijs te geven, enzovoorts. Deze veelzijdige genadegaven moeten we op een verantwoorde manier gebruiken. Iedereen kan met zijn of haar unieke mogelijkheden bijdragen aan het welzijn van anderen. Zo ontstaat binnen de gemeente een rijke verscheidenheid die iets laat zien van Gods grootheid en creativiteit.
Dat God aan ieder mens unieke gaven heeft gegeven, betekent ook dat niemand alle gaven bezit, en niemand geschikt is voor iedere taak. Dat is een bevrijdende gedachte. Je hoeft binnen de gemeente geen rol te vervullen die niet bij jou past. Je mag dienen “uit kracht die God schenkt.” (1 Petrus 4:11). Soms vraagt dat misschien om een stap buiten je comfortzone, maar God verwacht niet dat je doet wat buiten je mogelijkheden ligt. Je bent geroepen om de gaven te gebruiken die je hebt ontvangen, niet om je te richten op de gaven die je niet hebt.
Welke talenten en gaven heeft God jou gegeven, en op welke manier kun je die inzetten tot zegen van anderen?

