“Ik lijk op een kauw in de woestijn,
ik ben geworden als een steenuil te midden van de puinhopen.
Ik lig wakker, ik ben geworden
als een eenzame mus op het dak.”
(Psalm 102:7-8)
Psalm 102 is een noodkreet uit de diepte. De dichter gloeit van de koorts. Hij eet niet meer, is inmiddels vel over been. De nachten zijn lang en eenzaam. Hij vergelijkt zichzelf met een uil in een ruïne of een eenzaam vogeltje op het dak.
Deze Psalm confronteert ons met lijden. Misschien herken jij die worsteling in je eigen leven. Of misschien gaat het jou juist voor de wind. Dan nodigt deze psalm uit om stil te staan bij mensen die gebukt gaan onder verdriet, ziekte of eenzaamheid. Hun wereld kan klein worden door hun beperkingen. Juist dan kan een bezoek, een luisterend oor of een blijk van meeleven veel betekenen.
Maar Psalm 102 is niet alleen een klaaglied. Heel bewust richt de dichter zijn aandacht (en daarmee ook onze aandacht) op Gods onveranderlijke trouw. Als hij zich alleen zou laten leiden door zijn gevoel, zou de wanhoop overheersen. Maar hij vindt nieuwe moed in het besef dat God altijd dezelfde blijft en dat Zijn Koninkrijk komt. Het lijden heeft niet het laatste woord.
Herken jij jezelf in de klagende toon aan het begin van de psalm? Lees dan de hele Psalm aandachtig door en laat je meenemen op de weg van verdriet naar hoop.

