Door het volk bedreigd, maar door God gespaard

“Toen zei heel de gemeenschap dat men hen met stenen moest stenigen.” (Numeri 14:10)

“Maar van de mannen die eropuit gegaan waren om het land te verkennen, bleven Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven.” (Numeri 14:38)

Kaleb en Jozua hielden vol dat hun volksgenoten het land Kanaän in konden nemen omdat God hen zou helpen. De tien andere verspieders zagen dat helemaal niet zitten. Helaas liet het volk zich meeslepen in het ongeloof van de meerderheid. Ze verloren alle moed en begonnen te jammeren over hun uitzichtloze situatie. Sterker nog, ze reageerden afwijzend en gewelddadig op de oproep van Jozua en Kaleb om op de Heere te vertrouwen. Beide mannen dreigden gestenigd te worden. Maar God greep in door met Zijn heerlijkheid te verschijnen.
De Heere God nam het ongeloof van de tien verspieders en van het volk hoog op. Niemand van hen zou het beloofde land binnen mogen gaan (zie Numeri 14:30). Pas de volgende generatie zou dat doen. Het hele volk zou veertig jaar lang rondtrekken door de woestijn tot alle volwassenen waren overleden — behalve Jozua en Kaleb. Zij zouden het beloofde land wél binnengaan, omdat ze God trouw waren gebleven.

Het volk had Kaleb en Jozua willen doden, maar God liet hen juist als enigen overleven. Daarmee kregen ze ook een grote verantwoordelijkheid. Zij zouden op den duur de enigen zijn die met eigen ogen allerlei wonderen hadden gezien en bij de verbondssluiting op de Sinaï aanwezig waren geweest. Zo werden zij ook geestelijke leiders voor een nieuwe generatie.
Zijn er mensen die hun geestelijke kennis en ervaring met jou delen? Op welke manier krijgt dat vorm?

Deel artikel