“Laat uw woord ja echter ja zijn en uw nee nee” (Mattheüs 5:37)
In Jezus’ tijd was het heel gewoon om je woorden met een eed kracht bij te zetten. Mensen zwoeren bij de hemel, bij de aarde, bij de stad Jeruzalem of bij Gods naam: “Zo waar de Heere leeft…”.
Het zweren van een eed was niet langer beperkt tot belangrijke gelegenheden, zoals vroeger het geval was. Denk aan Gods belofte om de Israëlieten een eigen land te geven (Genesis 50:24, Deuteronomium 4:31), of een belofte aan een stervende vader (Genesis 47:31). Bij zulke buitengewone, gewichtige gelegenheden kan het goed zijn om God als getuige te nemen van je belofte of van de waarheid van je woorden. In Jezus’ dagen zwoeren mensen simpelweg om duidelijk te maken dat ze iets echt meenden.
Dat vindt Jezus niet goed. Hij zegt: “Laat uw woord ja echter ja zijn en uw nee nee”. Jezus’ volgelingen moeten oprecht en betrouwbaar zijn, zodat mensen op hun woorden aan kunnen. Ze hoeven hun woorden geen kracht bij te zetten met een eed, omdat ze hun beloften sowieso altijd nakomen.
Kunnen mensen op jouw “ja” en “nee” vertrouwen?

