“Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.” (2 Samuel 12:13)
Toen de profeet Nathan David confronteerde met zijn zonde en met Gods straf, kwam David tot inkeer. Hij gaf nu onomwonden toe dat hij gezondigd had – niet alleen tegen Uria en zijn vrouw, maar ook tegen de Heere Zelf. Hij verzon geen slap excuus voor zijn slechte daden, maar beleed zijn zonden. Hij toonde oprecht berouw.
En toen nam de Heere zijn zonde weg. Dat betekent niet dat David zijn straf ontliep. Hij zou de gevolgen van zijn misstappen blijven ondervinden. Maar zijn zonde was vergeven, die stond niet langer tussen God en hem in. David zou “niet sterven”.
Dat was alleen mogelijk omdat er ooit Iemand anders zou sterven in Davids plaats: Jezus Christus. Hij was bereid om de straf voor Davids zonden, en de straf voor de zonden van talloze andere mensen, op Zich te nemen. Hij onderging het doodvonnis om verzoening mogelijk te maken tussen God en mens.
Heb jij je zonde al beleden en God om vergeving gevraagd? Hij is graag bereid barmhartig te zijn en al je zonden in de diepte van de zee te werpen (Micha 7:19). Op die manier kan ook jouw relatie met God worden hersteld en je doodvonnis worden vernietigd. Verlang jij daarnaar?

