Ben ik uitverkoren om naar de hemel te gaan?

De Bijbel zegt dat God mensen heeft voorbestemd en geroepen. Hoe kun je weten of je bij degenen behoort die de nieuwe schepping zullen beërven?

Als je in de Zoon van God gelooft, dan verzekert God je van eeuwig leven (1 Johannes 5:13)! De prachtige Bijbelse waarheid van ‘voorbestemming’ (Efeziërs 1:11) laat ons zien waarom we dit vertrouwen kunnen hebben.

Vóór de schepping van de wereld heeft God in liefde uitverkoren wie Hij zou redden (Efeziërs 1:4) en schreef hun namen in het ‘boek des levens’ van het Lam (Openbaring 13:8; 17:8; 21:27). Toen, op een bepaalde tijd, zond God Zijn Zoon om Zijn volk te redden van hun zonden (Matteüs 1:21) door als de goede Herder Zijn leven af te leggen voor de schapen (Johannes 10:11). Vervolgens zond Hij de Heilige Geest om een nieuwe geboorte te bewerkstelligen voor een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte door gehoorzaamheid aan de waarheid (Johannes 15:26; Johannes 3:5-8; 1 Petrus 2:9; 1 Petrus 1:22).

God houdt diegenen nu vast tot de dag dat Jezus terugkeert (Johannes 6:37-40; 44-45), en niemand kan hen uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28-29): wat de wereld, ons zondige hart of de duivel ook op onze weg brengen, als we Jezus hebben aangenomen als onze Heer en Heiland zal niets in de hele schepping ons kunnen scheiden van de liefde van God die in Christus Jezus, onze Heer, is (Johannes 1:12; Romeinen 8:35-39)! Redding is Gods werk, van begin tot einde (Romeinen 8:29-30), door genade alleen (Efeziërs 2:8-9), tot Zijn eer (Romeinen 11:33-36).

De dag des oordeels

Op de dag des oordeels zal iedereen te horen krijgen of zijn of haar naam wel of niet in het “boek des levens” geschreven staat (Openbaring 20:15). Maar is het mogelijk om het voor die tijd al te weten? Ja, dat is mogelijk! Onze belangrijkste zekerheid moet voortkomen uit het besef wat Jezus al voor ons heeft gedaan (Hebreeën 6:18-29) en dat we heel bewust ons leven in Zijn hand gelegd hebben. Dan mogen we rusten in Gods belofte dat Hij het goede werk dat Hij in ons is begonnen, zal voltooien (Filippenzen 1:6). Maar het is ook goed om onszelf onderzoekende vragen te stellen (2 Korintiërs 13:5).

Toets de echtheid van je geloof

Jezus vertelt ons door middel van het voorbeeld van een boom en haar vruchten dat we de echtheid van iemands geloof kunnen testen aan de hand van de ‘bewijzen’ die in zijn of haar leven te zien zijn (Matteüs 7:20). Hier zijn enkele vragen om je daarbij te helpen.

Ben ik gehoorzaam aan de opdrachten van Jezus?

Als we ons houden aan Jezus’ geboden, dan weten we dat we van Hem houden (1 Johannes 2:3). En als we van Hem houden, dan is dat omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19)! Als je christelijke gehoorzaamheid niet volmaakt is, wanhoop dan niet: ware gehoorzaamheid aan Jezus houdt ook in dat we onze zonden aan Hem belijden (1 Johannes 1:8-2:2). Maar als we beweren dat we wedergeboren zijn, maar ons nooit onderwerpen aan de morele geboden van Christus, dan misleiden we onszelf (1 Johannes 2:4).

Hierbij is het van belang om te blijven bedenken dat onze eeuwige bestemming geen zaak is van “punten verdienen”. Het eerste dat God van ons vraagt is “dat u gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft” — de Heere Jezus (Johannes 6:29). Pas als we die opdracht gehoorzaamd hebben en ons oprecht bekeerd hebben, kunnen we ook andere geboden van Jezus gehoorzamen, vanuit onze liefde voor Hem.

Draag ik vrucht voor Jezus?

De gelijkenis van de zaaier beschrijft ware gelovigen als “goede aarde” die een grote oogst voor Jezus opbrengt (Marcus 4:20). Jezus maakt een soortgelijk punt in Zijn beeld van de wijnstok: als je veel vrucht draagt, vooral in antwoord op gebed (Johannes 15:5; 15:7; 15:16), dan kun je er zeker van zijn dat je echt in de wijnstok bent (vgl. Hebreeën 6:7). Raak niet ontmoedigd als je minder voor God lijkt te bereiken dan sommige andere christenen doen (Marcus 4:20). We hoeven alleen maar trouw te zijn met wat God ons gegeven heeft (Mattheüs 25:21; 21:23). Maar als onze levens zo vol zijn van wereldse verlangens, zorgen of succes dat we helemaal geen vrucht dragen voor Jezus, dan zijn we in groot gevaar (Marcus 4:18-19; Johannes 15:6; Hebreeën 6:8).

Groei ik in geloof en kennis van God?

Een teken dat we echt “geproefd hebben dat de Heer goedertieren is”, is dat we blijven groeien in ons geloof en in onze kennis van God door Zijn Woord te bestuderen (1 Petrus 2:2-3; 2 Petrus 3:18; Psalm 1; 2 Timotheüs 3:14-15). Verwacht niet dat je alles in de Bijbel meteen begrijpt. Zelfs Timotheüs, in wie Paulus oprecht geloof zag, moest nadenken over wat hij van Paulus gehoord had (2 Timoteüs 1:5;  2:7).  Zelfs Barnabas was eens kort op een dwaalspoor gebracht (Galaten 2:13). Maar wanneer we in verwarring zijn, zullen we als ware christenen nederig en zorgvuldig naar Gods Woord moeten luisteren (Jesaja 66:2; Lukas 8:18) en God vragen om ons geloof en begrip groter te maken (Marcus 9:24; Lucas 17:5; Lucas 8:9-10). Op deze manier zullen we uiteindelijk niet zwichten voor valse leer en duivelse misleiding (Efeziërs 4:14; Matteüs 24:24).

Groei ik in de liefde van Christus?

Echte christenen houden van elkaar zoals Jezus van ons hield (Johannes 13:34-15; 1 Johannes 4:7). Als je nog tekort schiet in liefde, wanhoop dan niet: de Filippenzen maakten onderling soms ruzie, maar hun namen stonden nog steeds in het boek des levens (Filippenzen 4:2-3)! De liefde die we voor elkaar hebben zou echter moeten groeien (Efeziërs 4:16; 2 Tessalonicenzen 1:3). Als we een andere christen haten, zijn onze offers aan God waardeloos (Matteüs 6:23-24) en kennen we God nog niet, want God is liefde (1 Johannes 2:11; 4:8).

Volhard ik in vervolging?

Hoe wist Paulus dat God de Tessalonicenzen had uitgekozen (1 Tessalonicenzen 1:4)? Omdat de Heilige Geest hen een vreugdevol geloof in het evangelie had gegeven dat zelfs door vervolging heen standhield (1 Tessalonicenzen 1:5-6; 2:14-16; 3:3-4; vgl. Handelingen 17:1-9; 2 Tessalonicenzen 1:4-5)! Helaas zijn sommige mensen die ooit echte christenen leken te zijn, Jezus niet blijven volgen. Dit toont aan dat ze nooit echt tot de gemeente hadden behoord (1 Johannes 2:19). Maar als je vervolgd wordt omwille van Jezus en stand houdt, verheug je dan en wees blij: je geloof heeft de toets doorstaan en je loon zal groot zijn in de hemel (1 Petrus 1:6-9, Lucas 6:22-23).

Trots of wanhoop

Wanneer we onszelf dit soort vragen stellen, moeten we op onze hoede zijn voor twee tegenovergestelde gevaren: voor hoogmoed, als we denken dat we ‘geslaagd’ zijn voor de test, of  voor wanhoop, als we denken dat we gezakt zijn. Vergeet niet dat onze verlossing volledig Gods zaak toebehoort en dat Hij Degene is Die in ons werkt “zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen” (Filippenzen 2:13). Al deze vijf vragen zijn tevens gebedspunten (zie bijvoorbeeld Kolossenzen 1:10-12). Als je door Gods genade vorderingen maakt, verheug je er dan over dat je naam in de hemel geschreven staat en ga door met het goede te doen (Lucas 10:20; 2 Petrus 1:3-11). Zo niet, zie dit dan als Gods genadige oproep om je te bekeren waar je tekort bent geschoten en je te laten reinigen van alle ongerechtigheid door het bloed van Christus (2 Korintiërs 7:10; 1 Johannes 1:7-9).

📁
Ben ik uitverkoren om naar de hemel te gaan?

De Bijbel zegt dat God mensen heeft voorbestemd en geroepen. Hoe kun je weten of je bij degenen behoort die de nieuwe schepping zullen beërven?

Als je in de Zoon van God gelooft, dan verzekert God je van eeuwig leven (1 Johannes 5:13)! De prachtige Bijbelse waarheid van ‘voorbestemming’ (Efeziërs 1:11) laat ons zien waarom we dit vertrouwen kunnen hebben.

Vóór de schepping van de wereld heeft God in liefde uitverkoren wie Hij zou redden (Efeziërs 1:4) en schreef hun namen in het ‘boek des levens’ van het Lam (Openbaring 13:8; 17:8; 21:27). Toen, op een bepaalde tijd, zond God Zijn Zoon om Zijn volk te redden van hun zonden (Matteüs 1:21) door als de goede Herder Zijn leven af te leggen voor de schapen (Johannes 10:11). Vervolgens zond Hij de Heilige Geest om een nieuwe geboorte te bewerkstelligen voor een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte door gehoorzaamheid aan de waarheid (Johannes 15:26; Johannes 3:5-8; 1 Petrus 2:9; 1 Petrus 1:22).

God houdt diegenen nu vast tot de dag dat Jezus terugkeert (Johannes 6:37-40; 44-45), en niemand kan hen uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28-29): wat de wereld, ons zondige hart of de duivel ook op onze weg brengen, als we Jezus hebben aangenomen als onze Heer en Heiland zal niets in de hele schepping ons kunnen scheiden van de liefde van God die in Christus Jezus, onze Heer, is (Johannes 1:12; Romeinen 8:35-39)! Redding is Gods werk, van begin tot einde (Romeinen 8:29-30), door genade alleen (Efeziërs 2:8-9), tot Zijn eer (Romeinen 11:33-36).

De dag des oordeels

Op de dag des oordeels zal iedereen te horen krijgen of zijn of haar naam wel of niet in het “boek des levens” geschreven staat (Openbaring 20:15). Maar is het mogelijk om het voor die tijd al te weten? Ja, dat is mogelijk! Onze belangrijkste zekerheid moet voortkomen uit het besef wat Jezus al voor ons heeft gedaan (Hebreeën 6:18-29) en dat we heel bewust ons leven in Zijn hand gelegd hebben. Dan mogen we rusten in Gods belofte dat Hij het goede werk dat Hij in ons is begonnen, zal voltooien (Filippenzen 1:6). Maar het is ook goed om onszelf onderzoekende vragen te stellen (2 Korintiërs 13:5).

Toets de echtheid van je geloof

Jezus vertelt ons door middel van het voorbeeld van een boom en haar vruchten dat we de echtheid van iemands geloof kunnen testen aan de hand van de ‘bewijzen’ die in zijn of haar leven te zien zijn (Matteüs 7:20). Hier zijn enkele vragen om je daarbij te helpen.

Ben ik gehoorzaam aan de opdrachten van Jezus?

Als we ons houden aan Jezus’ geboden, dan weten we dat we van Hem houden (1 Johannes 2:3). En als we van Hem houden, dan is dat omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19)! Als je christelijke gehoorzaamheid niet volmaakt is, wanhoop dan niet: ware gehoorzaamheid aan Jezus houdt ook in dat we onze zonden aan Hem belijden (1 Johannes 1:8-2:2). Maar als we beweren dat we wedergeboren zijn, maar ons nooit onderwerpen aan de morele geboden van Christus, dan misleiden we onszelf (1 Johannes 2:4).

Hierbij is het van belang om te blijven bedenken dat onze eeuwige bestemming geen zaak is van “punten verdienen”. Het eerste dat God van ons vraagt is “dat u gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft” — de Heere Jezus (Johannes 6:29). Pas als we die opdracht gehoorzaamd hebben en ons oprecht bekeerd hebben, kunnen we ook andere geboden van Jezus gehoorzamen, vanuit onze liefde voor Hem.

Draag ik vrucht voor Jezus?

De gelijkenis van de zaaier beschrijft ware gelovigen als “goede aarde” die een grote oogst voor Jezus opbrengt (Marcus 4:20). Jezus maakt een soortgelijk punt in Zijn beeld van de wijnstok: als je veel vrucht draagt, vooral in antwoord op gebed (Johannes 15:5; 15:7; 15:16), dan kun je er zeker van zijn dat je echt in de wijnstok bent (vgl. Hebreeën 6:7). Raak niet ontmoedigd als je minder voor God lijkt te bereiken dan sommige andere christenen doen (Marcus 4:20). We hoeven alleen maar trouw te zijn met wat God ons gegeven heeft (Mattheüs 25:21; 21:23). Maar als onze levens zo vol zijn van wereldse verlangens, zorgen of succes dat we helemaal geen vrucht dragen voor Jezus, dan zijn we in groot gevaar (Marcus 4:18-19; Johannes 15:6; Hebreeën 6:8).

Groei ik in geloof en kennis van God?

Een teken dat we echt “geproefd hebben dat de Heer goedertieren is”, is dat we blijven groeien in ons geloof en in onze kennis van God door Zijn Woord te bestuderen (1 Petrus 2:2-3; 2 Petrus 3:18; Psalm 1; 2 Timotheüs 3:14-15). Verwacht niet dat je alles in de Bijbel meteen begrijpt. Zelfs Timotheüs, in wie Paulus oprecht geloof zag, moest nadenken over wat hij van Paulus gehoord had (2 Timoteüs 1:5;  2:7).  Zelfs Barnabas was eens kort op een dwaalspoor gebracht (Galaten 2:13). Maar wanneer we in verwarring zijn, zullen we als ware christenen nederig en zorgvuldig naar Gods Woord moeten luisteren (Jesaja 66:2; Lukas 8:18) en God vragen om ons geloof en begrip groter te maken (Marcus 9:24; Lucas 17:5; Lucas 8:9-10). Op deze manier zullen we uiteindelijk niet zwichten voor valse leer en duivelse misleiding (Efeziërs 4:14; Matteüs 24:24).

Groei ik in de liefde van Christus?

Echte christenen houden van elkaar zoals Jezus van ons hield (Johannes 13:34-15; 1 Johannes 4:7). Als je nog tekort schiet in liefde, wanhoop dan niet: de Filippenzen maakten onderling soms ruzie, maar hun namen stonden nog steeds in het boek des levens (Filippenzen 4:2-3)! De liefde die we voor elkaar hebben zou echter moeten groeien (Efeziërs 4:16; 2 Tessalonicenzen 1:3). Als we een andere christen haten, zijn onze offers aan God waardeloos (Matteüs 6:23-24) en kennen we God nog niet, want God is liefde (1 Johannes 2:11; 4:8).

Volhard ik in vervolging?

Hoe wist Paulus dat God de Tessalonicenzen had uitgekozen (1 Tessalonicenzen 1:4)? Omdat de Heilige Geest hen een vreugdevol geloof in het evangelie had gegeven dat zelfs door vervolging heen standhield (1 Tessalonicenzen 1:5-6; 2:14-16; 3:3-4; vgl. Handelingen 17:1-9; 2 Tessalonicenzen 1:4-5)! Helaas zijn sommige mensen die ooit echte christenen leken te zijn, Jezus niet blijven volgen. Dit toont aan dat ze nooit echt tot de gemeente hadden behoord (1 Johannes 2:19). Maar als je vervolgd wordt omwille van Jezus en stand houdt, verheug je dan en wees blij: je geloof heeft de toets doorstaan en je loon zal groot zijn in de hemel (1 Petrus 1:6-9, Lucas 6:22-23).

Trots of wanhoop

Wanneer we onszelf dit soort vragen stellen, moeten we op onze hoede zijn voor twee tegenovergestelde gevaren: voor hoogmoed, als we denken dat we ‘geslaagd’ zijn voor de test, of  voor wanhoop, als we denken dat we gezakt zijn. Vergeet niet dat onze verlossing volledig Gods zaak toebehoort en dat Hij Degene is Die in ons werkt “zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen” (Filippenzen 2:13). Al deze vijf vragen zijn tevens gebedspunten (zie bijvoorbeeld Kolossenzen 1:10-12). Als je door Gods genade vorderingen maakt, verheug je er dan over dat je naam in de hemel geschreven staat en ga door met het goede te doen (Lucas 10:20; 2 Petrus 1:3-11). Zo niet, zie dit dan als Gods genadige oproep om je te bekeren waar je tekort bent geschoten en je te laten reinigen van alle ongerechtigheid door het bloed van Christus (2 Korintiërs 7:10; 1 Johannes 1:7-9).

📁