‘Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!’ (Mattheüs 23:37)
De geestelijk leiders van Israël bleven Jezus bestoken met vragen: Wie denkt U wel dat U bent? Op wiens gezag handelt U? Juist zij, met hun grote kennis van de woorden van God, bleven er blind voor dat God in Jezus Zijn beloften vervulde. Wat kunnen wij mensen koppig en blind zijn wanneer we onze eigen gedachten en verwachtingen over God en wat Hij zou moeten doen, weigeren los te laten.
Jezus confronteerde de geestelijk leiders scherp met hun afwijzende gedrag. Hij bleef ook het diepe verlangen van God tonen. Zoals een moederkip haar kuikens veiligheid en beschutting wil geven, zó wil God al eeuwen een toevlucht en schuilplaats zijn voor ieder die Zijn liefde en genade wil aanvaarden (Zacharia 1:3-4; Psalm 91:4;). Hartverscheurend is wat Jezus verzucht: ‘Maar u hebt niet gewild.’ Hoe raakt en kwetst het Gods liefde dat mensen Zijnrust, vrede, vergeving en heling niet willen aanvaarden. Jezus’ weg naar en in Jeruzalem was een weg van confrontatie met afwijzing en toenemende haat. En toch keerde Hij zich niet af. Hij móest naar Jeruzalem.Reflectie: ‘Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen.’ Denk een paar minuten over deze woorden na. Wat raakt je? Wat wil je Jezus daarover zeggen?

