“… en toen ze Hem zagen, smeekten ze Hem of Hij uit hun gebied wilde vertrekken.” (Mattheüs 8:34)
Jezus bevond zich in Mattheüs 8:28-34 in een gebied dat ook wel het gebied van de Gerasenen genoemd werd. In dit gebied lagen een aantal steden die grotendeels niet-joods waren. Dat verklaart ook waarom er in dit gebied varkens gehouden werden. Joden hielden geen varkens omdat dit voor hen onreine dieren waren. Mattheüs vertelt hier over twee mensen die door boze geesten gekweld werden en door de gemeenschap uitgestoten waren. Jezus ging echter niet voorbij aan de nood van deze mannen. Boze geesten zijn in de Bijbel gevallen engelen die satan helpen om mensen tot zonde te verleiden. Deze geesten lieten hun aanwezigheid soms met grote kracht zien en weigerden Jezus als Gods Zoon te erkennen. Maar ook hier was Jezus’ macht groter. Hij verdreef de boze geesten. Door hun verwoestende kracht vond de kudde varkens de dood. Hun eigenaren zaten niet te wachten op dit verlies van hun inkomstenbron. Jezus’ aanwezigheid en macht maakte de mensen onrustig. De afgoden die door deze mensen gediend werden, meenden zij misschien met het brengen van offers onder controle te hebben. Zij verwachtten door hun offers vooral met voorspoed door hun afgoden beloond te worden. Voor Jezus’ macht en aanwezigheid deinsden ze terug.
Wat raakt jou in dit Bijbelgedeelte?
In Mattheüs 8 zien we Jezus macht over ziekten, de natuur en boze geesten. Hoe bemoedigt deze macht van Jezus jou?

